|
Deelname van vrouwen
Historische schets
Politiek actieve vrouwen
Mythevorming
Symbolisch weerwerk
Selectieve geschiedschrijving
Betekenis van hun participatie
Bronnen
De deelname van vrouwen aan de Parijse
Commune
De Commune van Parijs (1870-71)is een korte, maar zeer goed gedocumenteerde periode die een grote symbolische betekenis heeft gekregen
voor de arbeidersbeweging.
De term ‘Commune ’ wordt zowel voor de revolutionaire stedelijke regering, als voor de hele
revolutionaire periode gebruikt.
Vanuit feministisch standpunt is het
interessant om de Commune te bestuderen om drie redenen. Ten
eerste waren vrouwen overduidelijk actief, zowel politiek als militair. Ten tweede wordt hun deelname achteraf heel sterk moreel
veroordeeld als buitengewoon onvrouwelijk. De overschrijding
van de gendergrenzen wordt gevolgd door een krachtige disciplineringsbeweging die vrouwen weer op hun plaats moet krijgen.
En tenslotte vormt de geschiedschrijving rond de Commune een
goede illustratie van hoe vrouwen uit het beeld verdwijnen: ze
worden eenvoudigweg verzwegen, enkel in relatie tot mannen
beschreven, of in die mate gekarikaturiseerd dat latere ‘neutrale ’
geschiedschrijvers de passages niet meer weerhouden. Slechts
enkele vrouwen overleven dit proces, waardoor het beeld ontstaat
dat actieve vrouwen grote uitzonderingen vormden.
naar overzicht
De Commune van Parijs, een korte historische schets
De Commune van Parijs (1870-1871) werd uitgeroepen in een politiek erg woelige
periode . Frankrijk was in oorlog met Pruisen. Binnen
die oorlog ontstaat er een volksopstand tegen het eigen regime. De
bredere sociale context waarin dat gebeuren begrepen moet worden, is de erbarmelijke levensomstandigheden van de arbeiders en arbeidsters en de
verschillende revoluties en opstanden die telkens de hoop op een beter leven deden
opleven en de desillusies achteraf. Er waren de arbeidersopstanden van 1831 en 1848
en uiteraard ook de Franse Revolutie van 1789.
In 1870 hadden de conservatieve
krachten de bovenhand in Frankrijk en was Napoleon III als keizer aan de macht. Hij was
niet erg populair. Heel wat Parijzenaars bleven immers republikein.
Het labiele machtsevenwicht wordt onderuit gehaald door de Pruisen die azen op de
economisch interessante Elzas en Lotharingen. Ze provoceren en Frankrijk verklaart
op 19 juli 1870 de oorlog. Frankrijk is slecht voorbereid, maakt een aantal strategische
blunders en de positie van de keizer wordt onhoudbaar. Op 4 september wordt hij uit
zijn macht ontzet en wordt er een regering van ‘nationale verdediging ’ gevormd om
de oorlog verder te zetten. Op 18 november zijn de Pruisische troepen al tot Parijs
genaderd. De winter van 1870-1871 is er één van ontberingen en honger voor de
bevolking van het belegerde Parijs. Vanaf 5 januari verslechtert de situatie verder door
Duitse bombardementen. Voor de regering is het een verloren zaak. Op 19 januari
leveren de Fransen hun laatste slag. De soldaten voelen zich geslachtofferd, het
merendeel van de bevolking vindt de idee van een Franse capitulatie onaanvaardbaar.
Op 22 januari vinden er protestbetogingen plaats. Er wordt op de betogers geschoten
door regeringssoldaten. Op 28 januari is de capitulatie officieel.
Bismarck, de eerste minister van Pruisen, had bij de capitulatie geëist dat er een nieuwe
Assemblée zou worden verkozen. Die verkiezingen gaan door op 8 februari 1871. Onder
invloed van de rest van Frankrijk vormen de conservatieven een meerderheid in de
nieuwe Assemblée, die zich op 10 maart installeert in Versailles. Ze neemt onpopulaire
maatregelen tegen de Parijse bevolking en de Nationale Garde (de gemobiliseerde
Parijzenaars).
Op 18 maart stuurt Versailles troepen om de kanonnen te recupereren die nog
op Montmartre staan. De Parijzenaars, voor een groot deel vrouwen, verhinderen
dit. Ze kunnen de soldaten overtuigen, geven hen te eten en de opstand heeft op dat
moment meer van een feestelijk volksgebeuren dan van een burgeroorlog. Van dan af
berust het feitelijk gezag in Parijs bij het Centraal Comité van de Nationale Garde.
Op 26
maart zijn er verkiezingen en wordt een eigen regering, de Commune, samengesteld.
Van de negentig leden zijn er 25 arbeiders, wat revolutionair was voor die tijd , 12 vertegenwoordigers van de vrije beroepen en 53 kleine middenstanders.
Er zetelt geen enkele vrouw in de Commune. Ze hadden overigens ook geen stemrecht.
Nochtans treft de Commune tal van sociale en vrouwvriendelijke maatregelen die
hun tijd ver vooruit waren. Zo wordt er een gewaarborgd minimumloon ingesteld,
moederschapsrust, leerplicht en gratis onderwijs voor jongens en meisjes. Bordelen
worden gesloten en prostituees aan een andere baan geholpen. Het onderscheid
tussen wettige en onwettige kinderen wordt afgeschaft en weduwen van gesneuvelden
krijgen een pensioen uitgekeerd, ook als ze niet officieel getrouwd waren, wat in
arbeidersmiddens veel voorkwam.
Op 2 april vallen regeringstroepen Parijs aan. Wie zich overgeeft op het slagveld
wordt ter plekke geëxecuteerd. In Parijs is de verontwaardiging heel groot. Tussen
3 en 6 april zijn er grote betogingen van vrouwen. Ze formuleren ook verschillende
vredesvoorstellen in kranten. In het zog van dat verzet van vrouwen wordt op 11 april
de Union des Femmes pour la Défense de Paris et les Soins aux Blessés opgericht.
Op
21 mei vallen regeringstroepen de stad binnen en begint de ‘bloedige week’. Twintig-
à dertigduizend parijzenaars worden gedood. Op 28 mei wordt het laatste stukje Parijs
ingenomen. Communards en communardes die niet ter plekke gefusilleerd zijn,
worden gevangen genomen. Duizenden worden verbannen naar Nieuw-Caledonië in
de Stille Zuidzee. Na de bloedige week blijken er een honderduizend Parijzenaars weg: dood, gevangen genomen of gevlucht. Pas in 1880 wordt er een algemene
amnestie afgekondigd.
naar overzicht
In de clubs, in de straten en op de barricades: communardes als
politiek actieve vrouwen
Politiek is ruimer dan kiezen, verkiesbaar zijn en verkozen worden. De vrouwen van
Parijs hadden geen stemrecht en zetelden ook niet formeel in de Commune. Nochtans
werden tal van concrete vrouweneisen ingewilligd. Communardes dachten na over hoe
hun samenleving moest evolueren en bestuurd worden. Vrouwen formuleerden hun mening
daarover in de vele clubs en dagbladen en namen deel aan de debatten. Bovendien
organiseerden ze protestmarsen en leverden hun bijdrage aan de gewapende strijd, als
ambulancière, cantinière, of soldaat. Gezien de penibele situatie was vrouwenstemrecht
geen prioriteit, hoewel sommige communardes en communards er wel voorstander
van waren.
Er waren in die periode enkele vooraanstaande, intellectuele vrouwen actief,
zoals Louise Michel , André Léo, pseudoniem van Léodile Champseix, Paule Minck en Elisabeth Dmitrieff. Het ging echter
zeker niet om enkelingen. De participatie van vrouwen was massaal. Louise Michel
spreekt van tienduizend actieve Parisiennes. Na de bloedige week worden er meer dan
duizend vrouwen gevangen genomen.
De betrokkenheid van vrouwen was ook heel
zichtbaar en openlijk.
De militaire participatie van vrouwen werd vaak geassocieerd met de figuur van de
cantinière, die instond voor het voedsel en de drank van haar legereenheid. Cantinières
droegen een duidelijk herkenbaar uniform en in de optochten en marsen van de
Nationale Garde waren ze zichtbaar als vrouwen aanwezig. Het gebeurde regelmatig
dat ze in feite deelnamen aan de strijd, of tegelijkertijd de rol van ambulancière
opnamen. Sommigen van hen sneuvelden. In de kranten van de Commune werden ze
afgeschilderd als heldinnen, in de regeringsgezinde pers als afschuwelijke manwijven.
In realiteit waren de cantinières blootgesteld aan het harde soldatenleven, werden ze
regelmatig geconfronteerd met de dood van soldaten, soms verwanten. In hun eigen
beschrijvingen van de veldslagen is weinig ruimte voor romantiek. Bovendien gebeurde
het dat officieren zich minachtend opstelden en de aanwezigheid van vrouwen in
hun eenheden zo storend vonden dat ze liever hun gewonden lieten creperen dan
een ambulancière toe te laten.
Hoewel Louise Michel in haar mémoires eerder de
onderlinge verbondenheid binnen de bataljons beschrijft dan de obstakels voor
vrouwen, heeft ze ooit Eugène Varlin aangeschreven, omdat ze geen rantsoen kreeg.
Varlin was als Communelid verantwoordelijk voor de levensmiddelen en overtuigd
voorstander van gelijke rechten voor vrouwen. Hij schrijft een briefje terug waarin
uitdrukkelijk staat vermeld dat ze als vrijwillig ambulancière van de Commune recht
heeft op een rantsoen en dat men het haar moet geven. Wanneer een vriendin haar
vraagt waar haar geweer en haar uniform van de Nationale Garde gebleven is, verzucht
ze:“Ah! Als men me enkel al toestond onze gewonden bij te staan! Maar je zou niet
kunnen geloven hoeveel obstakels, hoeveel plagerijen, hoeveel vijandigheden …”.
In de regeringsgezinde pers waren cantinières vaak een dankbaar doelwit voor
karikaturisten. Ze werden ook vergeleken met ‘tricoteuses ’ (breisters), een negatief
vrouwbeeld van na de Franse Revolutie. Vrouwen zouden toen aan de voet van de guillotine
hebben postgevat en al breiend de vele terechtstellingen hebben bijgewoond,
genietend van het spektakel. Er werd beweerd dat ze hun zakdoekjes in het bloed van
de slachtoffers doopten en juichten bij ieder hoofd dat rolde, bedwelmd en waanzinnig
door de geur van het bloed. De vergelijking van cantinières met tricoteuses ontkracht
hun inbreng en engagement. Vrouwelijke voorstanders van de Commune werden op
die manier gelijkgeschakeld aan terreurmaniakken, waardoor ontkend werd dat ze een politieke mening zouden (kunnen) hebben. Hun engagement kon kennelijk niet dezelfde
basis hebben als bij mannen, ze zouden integendeel enkel gedreven worden door
gevaarlijke primitieve instincten. Zowel de bewondering als de vernedering in de pers
en bij de medestrijders zijn reacties op het doorbreken van de gendergrenzen: wat de
vrouwen deden, was voor iedereen ongewoon.
Het engagement van vrouwen komt in een stroomversnelling wanneer regeringstroepen
Parijs aanvallen. Bij de eerste gevechten organiseren vrouwen een mars op Versailles
met de bedoeling Thiers, de premier van de Assemblée (de officiële Franse regering), te gaan uitleggen hoe de vork
in de steel zit. Het is moeilijk om het precieze verloop van de gebeurtenissen te reconstrueren, omdat de bronnen elkaar hier tegenspreken. De volgende beschrijving is gebaseerd op het werk van Georges Soria (ed.) (1970-1971) Grande histoire de la commune du centenaire 1870-1871. D:. 3, p. 130-132.
Een anonieme citoyenne publiceert in verschillende kranten een oproep:
“Laten we aan Versailles gaan zeggen dat Parijs de Commune heeft opgericht omdat
we vrij wilden blijven. Laten we aan Versailles gaan zeggen dat Parijs zich in staat van
verdediging heeft gebracht, omdat ze belasterd werd, omdat ze bedrogen werd en dat
men geprobeerd heeft haar bij verrassing te ontwapenen. Laten we aan Versailles gaan
zeggen dat de Assemblée het recht te buiten is gegaan
en dat Parijs erin is teruggekeerd. Laten we aan Versailles gaan zeggen dat de regering
verantwoordelijk is voor het bloed van onze broeders en dat we haar voor heel Frankrijk
zullen verantwoordelijk stellen voor onze rouw. Laten we naar Versailles gaan, opdat
Parijs de laatste kans op verzoening benut.” Er verzamelen zich zo'n zevenhonderd à
achthonderd vrouwen op de place de la Concorde, die optrekken tot aan de zuidelijke
poorten van Parijs. De vrouwen verzamelen dan in de Salle Ragache, waar Beatrix
Excoffon op een biljarttafel klimt en een oproep doet om samen de gewonden te gaan
verzorgen. De volgende dag, de vierde april, zijn er opnieuw vrouwenmanifestaties.
Een duizendtal vrouwen trekt door de straten van Parijs, in rouwkleren, met de rode
vlag voorop. Kinderen zingen ‘Chant du départ ’. De Nationale Garde houdt hen echter
tegen omdat ze ervoor vrezen dat de troepen van Versailles hen massaal zouden
neerschieten. De vrouwen geloofden echt in de mogelijkheid van hun vredesmissie. Het
was hen immers slechts twee weken eerder wel gelukt was. De achttiende maart hadden ze
de soldaten van Versailles zover gekregen een bevel tot schieten te negeren. “Schieten
jullie op ons?” hadden ze gezegd, “Op jullie broers? Op onze echtgenoten? Op onze
kinderen?” Voor heel wat Parijzenaars was de idee van een burgeroorlog, van Fransen
die op Fransen schoten, lange tijd ondenkbaar. Na de gevechten van begin april
radicaliseerden de tegenstellingen en verzoeningspogingen liepen dood.
In het zog van die eerste dagen van april werden er ook initiatieven genomen om de
agitatie van vrouwen te kanaliseren en hun deelname aan de strijd van de Commune
te organiseren. Tijdens een vrouwenbijeenkomst op 11 april 1871 in de Grand Café
des Nations wordt de ‘Union des Femmes pour la Défense de Paris et les Soins aux
Blessés ’ opgericht met als duidelijke doelstelling vrouwen die zich willen inzetten voor
de Commune de weg te wijzen in het lenigen van de noden van de Commune. André
Léo, redacteur van de krant La Sociale, en al actief
binnen de ‘Société du Droit des Femmes ’ vóór de Commune, schrijft op 12 april een
vurig pleidooi voor de mobilisatie van vrouwen voor de gewapende strijd: “We weten
dat ze ernaar hunkeren, dat ze enthousiast zijn en vurig om zichzelf volledig te geven
(vooral arbeidersvrouwen) voor de goede zaak van Parijs; hun zielen toegewijd aan
de strijd, hun ogen eerder gevuld met vuur dan met tranen. Laat de vrouwen actief
deelnemen aan de strijd. Ze nemen er al aan deel in hun harten.” Tijdens de bloedige
week vecht André Léo mee op de barricades van Batignolles. De barricade van de place Blanche wordt verdedigd door een bataljon dat enkel uit vrouwen bestaat. Vrouwen
werden net zo goed als mannen standrechtelijk geëxecuteerd door de regeringstroepen.
André Léo slaagt erin te vluchten
naar overzicht
Mythevorming: de pétroleuses, vitroleuses en lichtekooien …
Na de Commune kwam er een gigantische disciplineringsbeweging op gang:
communardes werden afgeschilderd als furies, harpijen, medusa's, als krankzinnige
brandstichtsters, gifmengsters, prostituees … Tijdens de bloedige week stonden heel
wat officiële gebouwen in Parijs in brand. Communardes met petroleumkannetjes
zouden overal brand gesticht hebben.
Wat de heksen geweest waren voor de Kerk,
waren de ‘pétroleuses ’ voor de bourgeoisrepressie na de Commune. Het beeld van
de ‘tricoteuse ’ fungeerde overigens honderd jaar eerder op eenzelfde manier na de Franse Revolutie: als
een symbolische repressie, de strijd wordt geleverd op het slagveld van de negatieve
betekenisgeving. In 1871 en de jaren die volgden waren vrouwen prominent aanwezig
in de teksten over de Commune. Vooral het beeld van de pétroleuse kreeg de omvang
van een urban legend en mensen bleven nog jaren uitkijken voor wilde manwijven die
met petroleumkannen via openstaande kelderraampjes bourgeois-eigendommen in
brand zouden steken.
De vaststellingen dat de branden hoofdzakelijk door mannen waren
aangestoken en minder erg waren dan op dat moment – toen de Parijse lucht oranje
kleurde en de Parijse straten rood – leek, volstonden niet om de mythe uit te roeien.
De conservatieve pers en de regering voedden de angsten. De mythe legitimeerde
immers de standrechtelijke executies van vrouwen en kinderen en de bloedige
repressie die er werd gevoerd tegen (vermeende) Communeleden. Er verscheen ook
een krantenbericht over een cantinière die soldaten van Versailles zou vergiftigd hebben
en andere berichten volgden, maar deze mythe van de gifmengsters (‘vitroleuses ’)
bleek niet even sterk als die van de pétroleuse.
De conservatieve pers en de regering
schilderden de communardes ook steevast af als
vrouwen van lichte zeden; prostituees, of alleszins
vrouwen die ‘alle gevoel voor gezin en moraliteit
verloren ’ waren. De mannen en de kinderen die
hadden deelgenomen aan de Commune waren
ook schuldig, maar werden in veel mindere mate
moreel veroordeeld.
Een groot deel van de
symbolische repressie gebeurde via karikaturen. De
achterliggende boodschap is vaak dat de vrouwen
van de Commune geen ‘echte ’ vrouwen waren. In
een tekening van Eugène Girard krijgt een woeste
vrouw met verwilderde haren, waanzinnige blik,
slordige kleren, met vuur en petroleumbus in de
hand het onderschrift mee: “een geëmancipeerde
vrouw die licht werpt op de wereld”. Emancipatie,
vrouwenrechten en waanzin werden moeiteloos op
één lijn gesteld.
naar overzicht
Symbolisch weerwerk?
De Commune zelf kreeg een sterk symbolische betekenis in de arbeidersstrijd. De
meningen zijn lange tijd heel erg gepolariseerd gebleven: men verheerlijkte het
gebeuren, of men verguisde het. In het anti-kamp werd de betrokkenheid van de
vrouwen aangegrepen als een bewijs van het verwerpelijke, het krankzinnige en
zelfdestructieve karakter van de volksopstand. De auteurs die streefden naar een
rehabilitatie van de Commune en die lange tijd vanuit ballingschap schreven, bleken
echter ook vaak te worstelen met dat negatieve vrouwbeeld. Meestal reageerde men op
het beeld van de pétroleuse door vrouwen af te schilderen als weerloze slachtoffers van
de bloedige repressie. Op afbeeldingen van vrouwen die terechtgesteld of gevangen
genomen worden, zijn ze hulpeloos, passief, verslagen en wanhopig. De mythe van de
pétroleuse ontkrachten kon immers niet door communardes af te beelden als sterke, of
verleidelijke vrouwen. Impliciet werden op die manier traditionele genderopvattingen ook in de pro-Commune literatuur opnieuw bevestigd.
De foto ’s van gevangen genomen communardes spreken het stereotiepe beeld
van het passieve slachtoffer trouwens tegen. Foto ’s nemen van gevangenen en die
publiceren, of te koop aanbieden, werd in die tijd beschouwd als een extra straf
omdat het de reïntegratie van ex-gevangenen in de samenleving zou bemoeilijken.
Communardes bleken het fotograferen echter helemaal niet als een straf te ondergaan.
Voor arbeidsters was het een unieke kans om gefotografeerd te worden. Ze stuurden
exemplaren naar hun familie op. Onbedoeld waren de foto ’s van gevangenen voor veel
Fransen foto ’s van helden en heldinnen. De tegenstelling tussen de representatie van
mannelijke en vrouwelijke communards is hier ook niet zo groot als in de karikaturen.
Beide zijn onderworpen, maar zelfbewust en trots.“Geen enkele ziet eruit als een
passief slachtoffer”, stelt Gen Doy, die de relatie tussen afbeeldingen van vrouwen en
klassenbewustzijn onderzocht. (Dooy, Gen (1995) Seeing and Consciousness: Women, Class and Representation. p. 94-95)
Mannelijke pro-Commune auteurs beschreven communardes ook vaak enkel in hun
relatie tot mannen. Hun gedrag zou niet onvrouwelijk geweest zijn, maar juist extra vrouwelijk, omdat ze deden wat van een goede vrouw verwacht kon worden: hun
man bijstaan. Prosper-Olivier Lissagaray, wiens ‘Histoire de la Commune de 1871’
(1976(1896)) heel vaak wordt aangehaald als een standaardwerk over de Commune,
schrijft bijvoorbeeld dat er een groot verschil bestaat tussen het weerzinwekkende
androgyne beeld van het Versailleskamp en de echte Parisiennes, die “weten te sterven,
zoals ze beminnen: in volle overgave” (Histoire de la Commune de 1871. p. 216-217). Door naar communardes te verwijzen als
naar minnaressen, of echtgenotes, wordt hen impliciet geen autonome rol toegekend.
Lissagaray besteedt verder weinig aandacht aan de inbreng van vrouwen in de
Commune. Hoewel ze heldinnen zijn, vereisen ze kennelijk verder niet veel specifieke
vermelding. De idee dat de rol van de vrouw in het publieke leven enkel zou bestaan in
het ondersteunen van haar man is opnieuw een erg traditionele genderopvatting.
Tenslotte zijn er ook pro-Commune auteurs die in feite het negatieve vrouwbeeld
onderschreven en voor wie de deelname van vrouwen aan de Commune met hun
irrationeel en emotioneel gedrag de zaak geen goed zou gedaan hebben. Zo beschrijft
de journalist Maxime Vuillaume in zijn ‘La semaine sanglante. Journal d ’un communard
(mai 1871)’ een voorval waarbij een kapitein van de Nationale Garde van verraad
wordt beschuldigd en gelyncht wordt door een woedende massa. De schuld ligt voor Vuillaume overduidelijk bij de cantinière van het 66ste bataljon met wie de kapitein woorden had gehad en die enorm geliefd was bij haar soldaten, omdat ze zo dapper was. Dat ze
in feite het gepeupel probeerde tegen te houden, interpreteert Vuillaume als vrouwelijke
weekhartigheid. Het werk van Vuillaume geldt als ‘nauwkeurig ’ en ‘objectief ’. Zijn
interpretaties zijn echter onmiskenbaar misogyn. In zijn poging om de Commune te
rehabiliteren zoekt hij de schuldigen van de terechtstelling van de gijzelaars. Dat hij
vrouwen daarbij in het vizier heeft, blijkt bijvoorbeeld nog uit het feit dat hij getuigen
uitdrukkelijk vraagt of er geen luidruchtige cantinières in de buurt waren. Zo worden vrouwen schaamteloos opgeofferd voor de goede zaak.
‘La semaine sanglante’ (1964) is een heruitgave van de hoofdstukken uit ‘Mes Cahiers Rouges’
(1914) die betrekking hebben op de gebeurtenissen van 24 tot en met 28 mei 1871. De teksten
dateren gedeeltelijk van vlak na de Commune, maar eigen observaties werden aangevuld met
ooggetuigenverslagen die Vuillaume achteraf verzamelde.
Een bepaalde categorie van vrouwen kon al helemaal niet op rehabilitatie rekenen en
verdwijnt nagenoeg volledig uit de pro-literatuur: de prostituees. In tegenstelling tot
de pétroleuse en de vitroleuse was de prostituee immers geen mythe. Parijs had er
massa ’s. Door de extreme armoede werden heel wat arbeidersvrouwen in de prostitutie
gedreven. De Commune sloot de bordelen, omdat het om één van de ergste vormen
van sociale uitbuiting zou gaan. Er bleef echter ook bij heel wat Communards weerstand
bestaan tegen prostituees. In de symbolische strijd achteraf bleken ze niet te redden.
Het was te belangrijk om er niet mee geassocieerd te worden. In de processen werd
promisuïteit, of zelfs maar het ongehuwd samenwonen, wat niet ongebruikelijk was in
de arbeidersklasse, als algemeen bewijsmateriaal voor criminaliteit aanvaard. Colonel
Gaillard vermeldt in zijn rapport dat 246 van de 1051 gearresteerde communardes
prostituees waren. Soria, vurig verdediger van de Commune, stelde dat men dat aantal
kunstmatig had opgedreven door prostituees te arresteren die er niets mee te maken
hadden. Maar de prostituees die er wél wat mee te maken hadden, konden niet op
veel steun rekenen achteraf. Da Costa maakte bijvoorbeeld een onderscheid tussen
‘goede ’ en ‘slechte ’ communardes. Die laatste categorie waren dan de prostituees.
naar overzicht
Selectieve geschiedschrijving
De negatieve beeldvorming staat een eenvoudige lezing van historische werken in
de weg. Gay Gullickson deed onderzoek naar de mythevorming en de negatieve
stereotypering van de vrouwen van de Commune. (Gullickson, Gay L. (1996) Unruly Women of Paris en (1991) La Pétroleuse: Representing Revolution.).
Ze wijst erop dat historici
mythes vaak onbewust gereproduceerd hebben, omdat ze onvoldoende alert waren
voor het misogyne karakter van sommige oorspronkelijke bronnen. Een huidige
generatie van historici neemt er dan weer afstand van, waardoor het aandeel van
vrouwen in de Commune aanzienlijk gemarginaliseerd wordt.
Een oppervlakkige kennismaking met de Parijse Commune levert gewoonlijk maar één
vrouw op: Louise Michel. Ze is de enige vrouw die meer dan honderd jaar mannelijke
geschiedschrijving heeft overleefd. Ze heeft verschillende autobiografische boeken
nagelaten en wordt in zowat ieder werk vermeld. Als er behalve Louise Michel nog een
vrouw vermeld wordt, is dat meestal Elizabeth Dmitrieff. Zij was een Russische aristocrate
en één van de zeven oprichters van de ‘Union des Femmes pour la Défense de Paris et
les Soins aux Blessés ’. Haar vermelding in geschiedenisboeken dankt ze aan het feit
dat ze een vertrouwelinge was van Marx. Ze werd vaak gezien als een aanwijzing dat de
Commune een ‘communistische samenzwering ’ was. Sommige auteurs gingen zover
te besluiten dat de Union een vrouwenafdeling van de Internationale was. (Soria, Georges (ed.) (1970-1971) Grande histoire de la commune du centenaire 1871-1971. Dl. 3, p.134).
Net als de
Communeleden waren de leden van deze Union des Femmes echter niet hoofdzakelijk
communisten. Alistair Horne, een Britse anti-Commune historicus, omschrijft Dmitrieff
als een schoonheid die door haar promiscuïteit de Commune wat glamour verschafte.
Ze zou door Marx naar Parijs gestuurd zijn als privé verslaggeefster en om de
“internationalistische "Union des Femmes" op te richten. (Horne, Alistaire (1981 (1965)) The Fall of Paris. The Siege and the Commune 1870-1871. p. 359-360). Door haar af te schilderen
als een pion van Marx wordt opnieuw de autonomie van vrouwen ontkend.
naar overzicht
Betekenis van de participatie van vrouwen aan de
Commune
Op het moment dat abominabele levensomstandigheden als gevolg van een oorlog
verder verslechteren en er openlijke politieke agitatie is naar aanleiding van diezelfde
oorlog, zien vrouwen zichzelf en elkaar hieraan als vanzelfsprekend deelnemen. Begin
april lijkt een scharniermoment geweest te zijn in deze bewustwording. De Commune
had verschillende, radicale, voor die tijd onwaarschijnlijk sociale en vrouwvriendelijke
maatregelen genomen. Op het moment dat die Commune wordt aangevallen, die
voor velen de hoop op een beter leven vertegenwoordigde, is de verontwaardiging en
de drang om te handelen immens. Wellicht had de Commune die hoop niet kunnen
inlossen en zou ze op termijn uiteen zijn gevallen door interne tegenstellingen. Wellicht
waren die twee eerste weken eerder als een soort verliefdheid, maar dat neemt niet
weg dat arbeiders en arbeidsters op dat moment naast elkaar vechten voor een betere
toekomst. Dat doel moet zo belangrijk geweest zijn, dat het massaal overschrijden
van de gendergrenzen door vrouwen aanvaardbaar was.
Voor de tegenpartij vormde
een vrouw aan de mannelijke kant van de gendergrens echter een bedreiging voor de
goede orde, zelfs voor de goede zeden. In een tijd waarin vrouwen sowieso als minder
rationeel dan mannen werden beschouwd, moest een dergelijke ontketening van wilde
krachten een teken zijn van het verval van de maatschappij. De reactie hierop was een
symbolische repressie waarin vooral de communardes overladen werden met negatieve connotaties. Velen hebben dit symbolisch bloedbad niet overleefd; ze
zijn in de geschiedenis verdwenen onder de lava van de uitbarsting van conservatieve
representaties.
Verschillende overlevenden van de Commune boden weerwerk en
schreven hun ervaringen en gedachten neer. Pas na de amnestie van 1880 kon dat
openlijk. Onder hen waren er vrouwen, zoals Louise Michel. Hoewel de Commune voor
hen als een heel bijzondere periode in hun leven geldt, blijkt hun geloof en engagement in de sociale beweging voor het leven.
De gegenderde geschiedschrijving van pakweg
de eerste zeventig jaren van de twintigste eeuw heeft echter over het algemeen meer
aandacht besteed aan de teksten van mannen. Mannelijke communards zijn in hun
beschrijvingen van vrouwen vaak ambigu. Dikwijls blijken ze niet echt voorstanders te
zijn van vrouwenemancipatie en verdwijnt de autonomie van vrouwen uit het beeld.
Door de positieve mythe van de heldin wordt het politiek actief zijn van communardes
bovendien impliciet gereduceerd tot een welbepaald heroïsche periode, of tot
enkelingen. Voor de latere generaties verdween de reële inbreng van communardes
grotendeels uit het zicht. Pas in de jongste decennia is de Commune van Parijs en het politiek actief
zijn van vrouwen daarin door feministische geschiedschrijvers herontdekt.
Samenstelling: Hildegard Van Hove
Gepubliceerd in: RoSa Factsheet nr. 42 , september 2005.
naar overzicht
Bronnen
DE WEERDT, Denise (e.a.). De Commune van Parijs 1871 in boek en beeld. Brussel:
Koninklijke bibliotheek Albert I.1971.vii +96p.
Doy, Gen (1995). Seeing and Consciousness: Women, Class and Representation.
Oxford: Berg.viii +205 p.+illustraties.
Gauthier, Xavière (1998). Une autre Louise Michel. Lettres inédites de la prison d ’Aube
rive. In: Lunes, 5, p.31-40.
Gullickson, Gay L. (1991). La Pétroleuse:Representing Revolution. In: Feminist Studies,
17(2), p.240-265.
Gullickson, Gay L. (1996). Unruly Women of Paris. Images of the Commune. Londen:
Cornell University Press. xiii+283p.
Histoire de la France contemporaine. 8dln.(1978-1981) Eleinstein, Jean (ed.). Editions
Sociales & Livre Club Diderot. Bijdrage: Le “Châtiment ”: de la guerre à la Commune.
Dl.3, p.336-363.
Horne, Alistaire (1981(1965)). The Fall of Paris. The Siege and the Commune 1870-1871.
Middlesex: Penguin Books. 540p.
Jones, Kathleen B. & Vergès, Françoise (1991) Women of the Paris Commune. In:
Women’s Studies International Forum, 14(5), p.491-503.
Lejeune, Paule (1978) Louise Michel, l ’ indomptable. Editions des femmes. 327p.
Lissagaray, Prosper-Olivier (1976 (1896)) Histoire de la Commune de 1871. Paris:
Maspero. 526p.
Michel, Louise (1983 (1905)) Souvenirs et avontures de ma vie. Paris: La Découverte/
Maspero. 437p.
Soria, Georges (ed.) (1970-1971) Grande histoire de la commune du centenaire 1871-
1971. 5dln. Livre Club Diderot.
Vuillaume, Maxime (1964) La semaine sanglante. Journal d ’un communard (mai 1871).
Paris: La Palatine. 271p. (oorspronkelijke uitgave: 1908-1914)
naar overzicht
|