Gebed aan Apfrodite
Fonkeltronige onsterfelijke Aphrodite,
listenvlechtend kind van Zeus, ik bid u,
overweldig niet met kwelling en kommer
mijn hart, almachtige,
maar kom hierheen zoals in vroeger tijd
toen u mijn stem van ver vernam en
mij verhoorde en het gouden verblijf
van uw vader verliet
op uw wagenspan. Sierlijk voerden
snelle mussen u met fladderende vleugels
over de donkere aarde uit de hemel neer
door de dampkring
Snel waren zij hier. En u, zalige, gleed
een glimlach over het goddelijk gelaat
toen u vroeg wat mij nu weer bedroefde,
en wat ik nu weer riep,
en wat mijn uitzinnig hart het vurigst
verlangde: Wie moet ik ertoe brengen
jou opnieuw haar liefde te schenken? Wie,
Sappho, doet je onrecht?
Ontvlucht ze je, spoedig volgt ze jou,
wil ze geen geschenken, ze geeft er zelf,
bemint ze je niet, spoedig bemint ze jou
tegen haar eigen wil...
Kom ook nu weer bij me, verlos me van
dit drukkend verdriet, vervul al wat mijn hart
vervuld wil zien, en wees andermaal
mijn medestrijdster.
uit: Sappho, Marion Giebel (vindplaats: T/0360). |