LESBOPARadIJS
Met haar traditie van tolerantie tegenover het onconventionele – vooral in vergelijking met veel andere landen - is het in Parijs als homo of lesbo aangenaam vertoeven. Op de meeste plekken in de stad, maar vooral in het Marais-district, kunnen gay koppels zo goed als ongestoord hand in hand lopen. Bovendien heeft Parijs Europa’s eerste openlijk homoseksuele burgemeester aan het roer: de herverkozen Bertrand Delanoë. Typisch voor Parijs is wel dat de homo- en de lesbogemeenschap er niet echt ‘mixen’. De twee leven er meer van elkaar gescheiden dan op het Franse platteland.
Nieuwsgierig naar een korte geschiedenis van ‘Lesbisch Parijs’?
De ‘gay’ twenties: Paris was a woman

Club Le Monocle in het
Parijse
Montparnasse
Zoals je kan lezen in onze feministische tijdlijn van Parijs hadden vrouwen er in de jaren '20 weinig publieke rechten, maar werd er in de praktijk wel veel meer mogelijk voor Franse vrouwen. Hun leven veranderde merkbaar sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog omdat veel mannen afwezig waren (op het front of in werkkampen) en bovendien de oorlog vaak niet overleefden, zodat vrouwen een veel zelfstandiger bestaan moesten lijden en mannenberoepen nu ingevuld begonnen te worden door vrouwen. In de jaren na de oorlog was dus het klimaat geschept voor een grotere zichtbaarheid van vrouwen die zich niet wilden binden aan een man. Zoals lesbiennes dus.
De jaren '20 waren een scharniermoment voor de lesbische cultuur en leefwereld. Het is de periode van de vrouwelijke artiesten, schrijvers en andere creatievelingen die hun lesbisch-zijn ten volle met elkaar willen delen en menen dat het leven zonder man en traditioneel gezin hen veel creatiever maakt. Deze lesbische artiesten die regelmatig samenkwamen in Salons geloofden dat ze konden slagen niet ondanks maar net door hun lesbianisme. Bekende Parijse lesbiennes in de belle epoque lesbische salons zijn Natalie Barney en haar levensgezellin en schilderes Romaine Brooks, Sylvia Beach en haar Adrienne Monnier, Gertrude Stein en Alice Toklas , en Claude Cahun en Marcel Moore. In de salons worden creatieve en filosofische ideeën uitgewisseld en werd gewerkt aan een gemeenschappelijke ‘sapphistische’ cultuur. Lesbo-bijeenkomsten en women only-clubs waren in het Parijs van die jaren populair, en de gewoonte ontstond bij een deel van deze lesbiennes om zich zeer mannelijk te kleden: een broekpak, erg kort haar dat achteraan geschoren was, en een monocle!
Deze periode wordt treffend weergegeven in het boek Paris was a Woman: Portraits from the Left Bank van Andrea Weiss, waarin de politieke, sociale en artistieke levens van deze generatie Parijse lesbiennes in de jaren 1920 wordt belicht. Het boek is verkijgbaar in onze RoSa bibliotheek en is ook verfilmd onder dezelfde naam.
De lesbobeweging
Het duurde echter tot na de mei ’68 revolutie dat de echte homobewegingen en in het bijzonder de lesbische organisaties konden ontstaan. Deze revolutie, waarbij het niet enkel ging om het stellen van eisen maar ook om een complete verandering van wereldvisie en het in vraag stellen van de gewoonten, maakte de vrouwenbeweging van de tweede golf mogelijk. De combinatie van de mei ’68 revolutie en de Mouvement de Libération des Femmes MLF zorgde voor een nieuw discours waarbij vrijheid over het eigen lichaam en seksualiteit van tel was, net als vrouwelijke solidariteit. In dit decor kon het lesbianisme als beweging ontstaan. Bovendien betekende het feit dat er uiteraard geen mannen in de MLF zaten en hun activiteiten dus niet-gemengd waren, een grotere zelfstandigheid bij lesbiennes en vrouwen in het algemeen om uitdrukking te geven aan hun ideeën en herkenning te vinden bij medevrouwen. Lesbische vrouwen waren talrijk in de MLF, en veel van de MLF-leidersfiguren waren ook lesbo’s, zoals Monique Wittig en Christine Delphy.
In 1971 ontstond de eerste echte radicale - weliswaar losjes georganiseerde - Parijse homobeweging: het Front Homosexuel d'Action Révolutionnaire (of FHAR), ontstaan uit een samenwerking tussen lesbische feministen van de Mouvement de Libération des Femmes MLF en enkele zeldzame lesbische leden van de culturele homoclub Arcadie.
Een jaar later kwamen ook homoseksuele mannen bij het Front. De FHAR gaf homo’s een drastische zichtbaarheid na de mei ’68- revolutie waarin vrouwen en homoseksuelen genegeerd werden en in de kou waren blijven staan. De leden van FHAR wilden het anders doen dan de oudere generatie holebi’s die vaak verborgen en behoudsgezinder leefden. Ze keerden zich af van de rechtse bourgeois samenleving, maar ook van het machogedrag van links. Omdat er na verloop van tijd in het oorspronkelijk lesbische FHAR meer mannen waren dan vrouwen, verdwenen lesbisch-feministische eisen naar de achtergrond en ging het enkel nog om mannelijke homoseksualiteit. Bovendien beschouwden veel lesbische radicale feministen het lesbisch-zijn als een politieke keuze: volgens hen hield heteroseksualiteit de mannelijke dominantie in stand. Deze radicaal-feministische standpunten waren niet meer te verenigen met die van de mannelijke homobeweging. Daardoor viel FHAR enkele jaren na haar ontstaan uiteen, nadat er reeds nieuwe lesbische groepen binnen de MLF ontstaan waren. De Polymorphes Perverses en de Gouines Rouges bijvoorbeeld werd eind 1971 opgestart door 50 jonge activistes, waaronder Monique Wittig die protesteerden tegen de mannenclub die de FHAR was geworden. De Gouines Rouges werden in Parijs erg bekend, en binnen de MLF organiseerden ze debatavonden.

Monique Wittig
In de jaren die daarop volgen schieten de Parijse lesbische organisaties als paddestoelen uit de grond: soms verbonden aan een feministische groep, soms autonoom zoals Le Front Lesbien International (1974), de Groupe des Lesbiennes Feministes (1975), en de Groupe des Lesbiennes de Paris (1977). Deze jaren ‘70 groepen hielden niet bijzonder veel acties, maar waren vooral belangrijk voor lesbiennes om erkenning te krijgen onder de vrouwen, om elkaar te leren kennen en om theorieën en analyses uit te denken. Een voorbereidende fase, zeg maar, van wat in de jaren 1980 zou komen.
In het begin van de jaren 1980 begonnen de lesbische organisaties zich beter te organiseren en nationale meetings te houden. Veel groepen werden ook radicaler en verweten de niet-lesbische feministen te falen: ze beschouwden het lesbianisme als het summum van feminisme, en groepen als het Parijse Lesbiennes de Jussieu hanteerden de slogan ‘Hétéros collabos!” Onder invloed van radicale Féministe Révolutionnaire Monique Wittig was de algemene visie van de Radicale Lesbo’s versterkt dat heteroseksualiteit gelijkstaat aan vrouwenverdrukking.
De jaren tachtig betekenden voor zowel radicale als niet-radicale lesbische organisaties een groeiende zelfstandigheid, ook binnen het MLF waartoe ze meestal behoorden. Terwijl de MLF aan kracht verloor, werd de strijd van de lesbiennes heviger en de aanwezigheid van lesbo’s in het Franse medialandschap groter en groter: steeds meer films, boeken en tijdschriften voor, door en over lesbiennes zagen het levenslicht. In 1983 werd het Archives Lesbiennes opgericht in Parijs, dat je vandaag nog steeds kan bezoeken. Steeds meer ontmoetingsplaatsen en festivals werden uit de grond gestampt, zoals het Festival International du Film Lesbien et Feministe de Paris : Quand les lesbiennes font du cinéma dat ook vandaag nog een groot publiek lokt. De jaren tachtig betekende ook de vestiging van de allereerste Franse lesbische uitgeverij in 1989: het Parijse Editions Geneviève Pastre, van de schrijfster van De l’amour lesbien.
De jaren 1990 stonden dan weer vooral in het teken van de lesbische alledaagse zichtbaarheid, in de politiek en in het sociale leven. Een twintigtal kersverse organisaties stonden op, en verenigden zich in 1997 onder de koepel Coordination Lesbienne Nationale (later Coordination Lesbienne en France ‘CLF’), die nationale meetings organiseert en ook contacten met feministen en opnieuw met holebi en transgender-organisaties onderhoudt. De CLF informeert de Franse lokale en nationale raden en regeringen over hun wensen. Er is nu ook aandacht voor de situatie van gekleurde, arme, oudere en andere lesbiennes binnen de lesbobeweging. Maar er wordt vooral gehamerd op de zichtbaarheid van lesbiennes in het dagelijkse leven en op het verslaan van de ‘lesbofobie’.

Les Furieuses Fallopes
Vandaag bestaan veel van deze lesbische groeperingen niet meer, en je kan nauwelijks nog spreken van een collectieve lesbische beweging. Het gevolg is dat er ook minder ontmoetingsplaatsen zijn en dat jonge lesbo’s minder met elkaar in contact komen dan in de jaren 1980 en 1990. Het ziet er naar uit dat de lesbische groepen grotendeels vervangen zijn door gemengde holebi-verenigingen of lesbische virtuele groepen op lesbo-websites. In de holebi-organisaties gaat de aandacht meer uit naar de gay-cultuur dan naar de lesbo’s. Vandaar dat veel lesbiennes in Parijs, als uitzondering op de rest van Frankrijk, er toch voor kiezen om zich bij women-only activiteiten of groepen te voegen, zoals Les Furieuses Fallopes, Les Lesbiennes contre le Racisme et la Discrimination en La Barbare. De CLF bestaat ook nog steeds als overkoepelende organisatie.
Bronvermelding - Bovenstaande tekst werd gebaseerd op de volgende documentatie:
- AITBOUAZZA,A.; DELANGRE, B. et al. (2007). Petit futé : Paris gay et lesbien. Paris : Les Nouvelles Editions de l’Université. (RoSa exemplaarnummer V3/0463)
- BOUCHERON, B. (2007). Introduction à une histoire du mouvement lesbien en France (Colloque ‘Visibilité/Invisibilité des lesbiennes’ organisé par la Coordination Lesbien en France (CLF) à Paris).
- http://lezzone.over-blog.com/article-15285319.html
- FALLON, S. & WILLIAMS, N. (2008). The lonely planet: Paris city guide. Lonely Planet Publications
- LATIMER,T.T. (2005). Women together/Women apart : Portraits of Lesbian Paris. New Brunswick, New Jersey: Rutgers University Press. (RoSa exemplaarnummer GIV2m/0085)