Suzanne Lilar
Suzanne Lilar (geboren 21 mei 1901 te Gent - overleden 12 december 1992) was een Belgische, Franstalige romanschrijfster, toneelschrijfster en essayiste. Vanaf 1976 tot aan haar dood in 1992 woonde ze in Brussel in de Zavelstraat nr 9.
Suzanne Lilar studeerde in Gent en was gedurende zeven jaar advocate. Ze onderbrak haar carrière om zich toe te leggen op de journalistiek en vervolgens op de literatuur.
In 1946 werd ze beroemd met het toneelstuk "Le Burlador", een originele kijk op Don Juan, die volgens haar eerder het slachtoffer van zijn oprechtheid en gevoeligheid dan een harteloze vrouwenverslinder is.
In 1947 werden er in Brussel nog twee stukken opgevoerd: "Tous les Chemins mènent au ciel" en "Le Roi lépreux" ("De melaatse koning").
Ze schreef tevens "Histoire du théâtre belge contemporain" (1952) en publiceerde in 1954 een essay "Le Journal de l'analogie".
Suzanne Lilar volgde in 1956 Gustave Van Zype op aan de Koninklijke Academie voor Franse Taal- en Letterkunde.
Transcendentie, gedaanteverwisseling en zelfoverwinning staan centraal in een ander essay "Le Couple" (1963). In dit feministische werk denkt zij na over de rol van de vrouw in de echtelijke liefde. Zij spit dit thema nog verder uit in "A propos de Sartre et de l'amour" (1967) en kwam in aanvaring met het werk van Simone de Beauvoir met een gelijkaardige visie in "Le Malentendu du deuyième sexe" (1969). In 1976 verscheen "Une Enfance gantoise" en in 1979 "A la Recherche de l'enfance".
Suzanne Lilar en haar man, de vroegere minister Albert Lilar, hebben in 1976 respectievelijk de titel van baronnes en baron gekregen. Zij is de moeder van de romanschrijfster Françoise Mallet-Joris (°1930).
|