home > vrouwen in brussel > Alexandra David-Néel

Wereldberoemde Brusselse Dame: Alexandra David-Néel

Louise Eugenie Alexandrine Marie David wordt geboren op 24/10/1865 te Saint Mandé, een buitenwijk van Parijs. Haar vader, afkomstig uit een Hugenoten familie, was politiek geëngageerd en verplicht naar België uit te wijken toen Louis Bonaparte zichzelf uitriep tot Napoleon III. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, afkomstig uit een katholieke koopmansfamilie. Wanneer ze na vijftien jaar huwelijk eindelijk zwanger wordt verhuist het echtpaar naar Frankrijk waar hun dochter geboren wordt. De kleine Alexandra is niet blij wanneer ze vijf jaar later een broertje krijgt, en ze is openlijk opgelucht wanneer dit zes maanden later sterft.

Haar moeder is totaal ontredderd en wil terug in de buurt van haar familie gaan wonen. Aangezien tegelijkertijd de politieke situatie weer gevaarlijk wordt voor haar vader, verhuist de familie in 1873 naar Brussel. De dag voor deze verhuis ontsnapt Alexandra bij een wandeling in het Bois de Vincennes en er moet een uitgebreide zoektocht op touw gezet worden om haar terug te vinden.

Haar jeugd is niet erg gelukkig, en Alexandra, die veel van haar vader houdt maar een afkeer heeft van haar moeder, denkt vooral aan ontsnappen uit haar kleinburgerlijke omgeving. Op vijftienjarige leeftijd maakt ze gebruik van de afwezigheid van haar ouders om er alleen van door te gaan langs Nederland naar Engeland, en ze komt maar terug wanneer haar geld op is. Wanneer ze op zeventienjarige leeftijd weer alleen op trektocht gaat, ditmaal door de Alpen naar de Italiaanse meren, is haar moeder het beu en ze wordt te werk gesteld in de familiewinkel die stoffen voor dameskleding verkoopt! Gelukkig voor haar heeft ze zangtalent en kan ze les volgen op het conservatorium waar ze zelfs een eerste prijs wint voor haar sopraanstem.

In 1888 krijgt ze de kans om te studeren in Londen waar ze in contact komt met het occultisme en de theosofische sociëteit. Een jaar later kan ze dankzij haar contacten met de theosofie, een onderdak vinden in het Parijse Quartier Latin van de Belle Epoque. Ze besluit Sanskriet te leren en komt zo voor het eerst in aanraking met het Tibetaanse Boeddhisme. Ze is dan reeds zeer geïnteresseerd in het spirituele en wordt ook lid van de Vrijmetselaars.

In 1891 scheept ze in naar Ceylon, en op haar rondreis in Indië maakt ze kennis met een aantal spirituele autoriteiten. Na een jaar is ze terug in Parijs om haar muziekstudies voort te zetten, blijkbaar met succes want in 1895 is ze eerste zangeres aan de opera van Hanoi en ze maakt ook een tournee door Griekenland, Noord-Afrika en de franse provincies. Gaandeweg krijgt ze ook bekendheid als schrijfster en geeft lezingen, maar als ze beseft dat haar zangcarrière op zijn einde loopt, aanvaardt ze artistiek directeur te worden van het casino in Tunis. Daar ontmoet ze Philippe Néel, hoofdingenieur bij de spoorwegmaatschappij van Bône-Oulma. In 1904 trouwen ze (een echte verrassing voor iedereen die haar feministische ideeën over het huwelijk kent) en hetzelfde jaar sterft haar vader.

Het huwelijk is geen klassiek huwelijk voor die tijd. Alexandra gaat gewoon door met haar bezigheden: artikels schrijven voor kranten (o.a. feministische artikelen over de positie van de vrouw), reizen, concerten bijwonen, lezingen geven, zelden neemt ze rust! In 1911 vertrekt Alexandra, die gezondheidsproblemen heeft en depressief is, weer op reis naar Indië. In plaats van 1 jaar, zoals voorzien zal ze 14 jaar wegblijven! Al die tijd houdt ze contact met haar echtgenoot. Per brief stuurt ze hem hele reisbeschrijvingen die gepubliceerd worden in Frankrijk, en tegelijkertijd schrijft ze hem hoeveel ze hem mist en nodig heeft, maar ze vraagt hem ook geregeld om geld op te sturen om haar reis voort te zetten

Het eerste jaar gaat ze naar Ceylon en Indië. In 1912 verblijft ze in Sikkim waar ze prins Sidkéong ontmoet die een grote betekenis in haar leven heeft, en ze bezoekt een stukje van Tibet, waar ze twee gesprekken heeft met de Dalai Lama. Van 1914 tot 1916 leeft ze als kluizenares in de Himalaya. Hier leert ze ook de jonge Tibetaan Yongden kennen die haar zal vergezellen op al haar volgende reizen, en die ze adopteert als haar zoon. Na door de Engelse overheid te zijn uitgewezen uit Zuidelijk Tibet, maakt ze een reis door Indië, Birma, Frans Indo-China, Japan, Korea en China. Van daaruit komt ze in Oostelijk Tibet terecht waar ze twee jaar woont tussen de monniken van het Kumbun-Klooster. Haar reis naar Lhasa brengt haar langs Mongolië en westelijk China naar zuidelijk Tibet. Vermomd als bedelares bereikt ze, als eerste vreemdelinge, Lhasa in februari 1924 en blijft er twee maanden. Gedurende al die tijd houdt ze zich bezig met schrijven en met studeren o.a. van Oosterse godsdiensten, maar ze leert ook Tibetaans, ze mediteert en ze leert allerlei technieken van zelfbeheersing. Haar levensmoeheid en kwalen verdwijnen en ze is in staat de meest barre omstandigheden te trotseren.

In 1925 keert ze eindelijk terug naar Frankrijk, nog steeds vergezeld van Yongden, waar ze wordt overspoeld door journalisten. Opnieuw samenwonen met haar echtgenoot is uitgesloten, maar toch verwacht ze wel van hem dat hij in haar onderhoud voorziet tot ze zelf genoeg verdient met schrijven en lezingen geven. Haar boek 'Voyage d'une Parisienne à Lhassa' leest als een avonturenverhaal en verkoopt vlot. In 1928 koopt ze een huis vlak bij Digne en noemt het Samten Dzong (= Fort van meditatie). Ze besteed haar tijd aan schrijven en reizen door Europa waarbij ze talloze bekende personaliteiten bezoekt.

In 1937, ze is dan 72 jaar, begint ze aan een nieuwe reis naar het Verre Oosten.Door de Sovjet-Unie gaat ze naar China, de Sino-Tibetaanse grens tot in Indië. Onderweg, in 1941, krijgt ze bericht dat Philippe is overleden. In 1946 keert ze terug naar Frankrijk, naar haar huis in Digne, nog steeds vergezeld van Yongden. Tot op hoge leeftijd trekt ze nog naar de bergen om de stilte te zoeken. Ze blijft ook schrijven: in totaal een dertigtal werken die handelen over verschillende onderwerpen als daar zijn filosofie, antropologie, oriëntalistiek, filologie, geografische ontdekkingen, historische en politieke nuances en een wirwar van tantristische praktijken, en allemaal boordevol avontuur.

In 1955 sterft haar aangenomen zoon aan acute uremie vergiftiging. In 1959 komt Marie-Madeleine Peyronnet bij haar wonen en zij zal voor haar zorgen tot het einde.

Alexandra lijdt enorm aan artritis en is veel te dik, zodat ze praktisch niet meer kan lopen, maar haar geest blijft helder. Ze blijft voortgaan met schrijven en ze interesseert zich voor uiteenlopende onderwerpen als ruimtevaart en politiek. Ook krijgt ze veel bezoek van mensen die geïnteresseerd zijn in de oosterse spiritualiteit. Haar honderdste verjaardag wordt feestelijk gevierd in Digne en hetzelfde jaar krijgt ze ook de hoogste onderscheiding van het Legioen van Eer. Ze vernieuwt zelfs nog haar paspoort want ze is van plan een nieuwe grote reis te maken langs Berlijn, naar Rusland en van daaruit naar New York.

Wanneer ze sterft op 9 september 1969 blijven verscheidene projecten onvoltooid, zoals het bouwen van een centrum voor studie en meditatie in de tuin van Samten Dzong. Alexandra David-Néel wordt gecremeerd in Marseille en haar as, vermengd met die van Yongden, uitgestrooid in de Ganges. Na haar dood worden haar bezittingen verdeeld: haar gehele bibliotheek Franse, Engelse en Tibetaanse boeken wordt aan het Musée Guimard gegeven waar ze gestudeerd heeft in haar jeugd. Haar waardevolle collectie kunstvoorwerpen wordt verdeeld over verscheidene musea en is nu nagenoeg onvindbaar. Marie-Madeleine Peyronnet krijgt haar brieven en ongepubliceerde manuscripten en blijft wonen in Samten Dzong dat nog steeds bezocht wordt als een bedevaartsoord voor mensen die "op zoek zijn'. De opbrengsten van haar gepubliceerde werken gaan naar de gemeente Digne, die de wettige erfgenaam is.

Dit korte overzicht werd gebaseerd op bronnenmateriaal beschikbaar in de RoSa-databank.

Site Map | ©2007 RoSa Documentatiecentrum | Meer info of vragen? Contacteer ons

Cityt(r)ips Brussel kwam tot stand met steun van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Gelijke Kansen Vlaanderen