home > virtuele wandeling > virtuele wandeling : noord
Virtuele Vrouwenwandeling
Dwaal langs de verschillende nummers op de kaart en ontdek Brussel van haar meeest vrouwelijke kant.
Voor het zuidelijke deel met nummers 1 tot 13 klik hier
Kantmuseum
In de buurt van de Grote Markt vind je talrijke souvenirwinkeltjes die de vermaarde Brusselse kant uitstallen. De Brusselse kantnijverheid kwam tot bloei in de 17de eeuw. Duizenden kantwerksters werkten in opdracht van een beperkt aantal koopliedenondernemers. Voor meer informatie over de kantwerksters en andere werkende vrouwen verwijzen wij u graag door naar onze dossierpagina Vrouwenarbeid.Het Museum voor het Kostuum en de Kant stelt op de tweede verdieping permanent een uitgebreide collectie historisch kantwerk tentoon. Daarnaast organiseert het jaarlijks een nieuwe thematentoonstelling, gewijd aan thema's als 'mode' of 'het beeld van de vrouw in het fin de siècle'. Naast kledingstukken uit een bepaalde periode wordt op deze tijdelijke tentoonstellingen ook vaak interessant materiaal getoond uit de archieven van de stad Brussel. Voor meer info over het museum kan u surfen naar hun pagina op de e-Brussels website.
Stoofstraat
In de Stoofstraat bevonden zich van oudsher de internationaal befaamde Brusselse 'stoven'. Deze openbare badhuizen vormden een ideaal werkterrein voor publieke vrouwen. Hoewel deze vorm van prostitutie in de late Middeleeuwen eigenlijk verboden was - prostituees mochten hun diensten uitsluitend aanbieden in een door de stad erkend bordeel - liet men het oogluikend toe. Van de Middeleeuwse badstoven is nu helaas niets meer te zien. In de plaats vind je er de vele krantenwinkeltjes.Meer info over prostitutie in Brussel door de eeuwen heen kan u vinden in onze dossierpagina Vrouwen van Lichte Zeden.
Grote Markt
Terwijl de Brusselse Grote Markt tegenwoordig een oase van rust vormt tenmidden van de hoofdstedelijke verkeersdrukte en er vandaag een statige waardigheid uitgaat van de omringende gebouwen, was het vroeger een van de meest chaotische plaatsen in de stad. Elke dag werden er drukke markten gehouden, hier vonden feesten plaats en plechtige optochten, de verschillende ambachten hadden er hun druk bezochte gildenhuizen...en het was de plaats waar (naast de Galgenberg) terechtstellingen werden georganiseerd.Het kapiteel van de eerste zuil in de galerij van de rechtervleugel van het stadhuis toont mensen die met grote schoppen driepotige stoelen ('driepikkels') op een hoop gooien. Op deze plaats bevond zich tot in de 15de eeuw inderdaad 'De Scupstoel', een pand genoemd naar de driepikkel die ook als foltertuig werd gebruikt. Overspelige vrouwen werden op deze 'scupstoel' vastgebonden en ondergedompeld in een poel. Het kapiteel twee zuilen verder brengt de tegenstelling in beeld tussen de kwellingen van het overspel en de geneugten van het ideale huisgezin. Deze 'geneugten' waren in die tijd wel erg seksegebonden: de man ligt languit te slapen in een stoel terwijl de vrouw handen tekort komt om haar kinderen te voeden.
Terwijl prostitutie in de Middeleeuwen gedoogd werd, begon de katholieke kerk vanaf de 16de eeuw repressief op te treden tegen elke vorm van onttucht. In 1732 stelden leden van de Brusselse overheid voor om opgepakte prostituees op de Grote Markt aan het publiek tentoon te stellen in een draaiende kooi. Landvoogdes Maria Elisabeth, vermaard om haar onovertroffen zedigheid, verwierp deze straf omwille van de wanordelijkheden die een dergelijk schouwspel zou veroorzaken. Er werd daarom geopperd voor een aanvaardbaar alternatief: de prostituees zouden op het schavot tentoongesteld worden met een ijzeren halsband en een gedetailleerde beschrijving van hun misdaad, dezelfde straf als vagebonden en rovers te beurt viel. Meer info over prostitutie in Brussel door de eeuwen heen vind u in onze dossierpagina Vrouwen van Lichte Zeden.
Stadhuis
Het stadhuis, een prestigeproject waarmee Brussel de stad Leuven naar de kroon probeerde te steken, werd gebouwd in de 15de eeuw. In de 19de eeuw werd beslist de gevel te verfraaien met een beeldengalerij die de geschiedenis van Brussel voorstelt. Heel wat bekende personages kregen er een plaats, onder wie ook enkele vrouwen:Op de bovenste beeldenrij, de meest rechtse figuur van het eerste beeldenpaar, staat de Heilige Begga, patrones van de begijnen. Even verder naar rechts, links boven de toeganspoort, bevindt zich een beeldengroep van vijf figuren: Karel de Grote en zijn vier gemalinnen Hermengarde, Hildegarde, Fastrada en Lutgarda. De 19de-eeuwse Brusselaars hielden ervan de stichting van hun stad te laten teruggaan tot de Karolingische tijd, hoewel Brussel toen hoogstens een bescheiden nederzetting kan zijn geweest waar Karel de Grote vast en zeker nooit van heeft gehoord. Isabella van Portugal(1397-1471), een energieke, buitengewoon bekwame vrouw die veel invloed had op het bestuur van haar man Filips de Goede, is afgebeeld als voorlaatste figuur op deze verdieping.
Op de eerste verdieping, rechtervleugel: Maria van Bourgondië, hertogin van Bourgondië van 1477 tot 1482, als vierde van links; de zevende figuur is Johanna de Waanzinnige(1479-1555), vrouw van Filips de Schone en moeder van Keizer Karel; rechts naast haar staat Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden van 1506 tot 1530 en vijf plaatsen verder: Maria van Hongarije, die haar tanta Margaretha opvolgde als landvoogdes in naam van haar broer Keizer Karel. In 1900 werd beslist de rechterzijvleugel van het stadhuis opgesmukt met beelden van belangrijke personen uit het sociaal-cultureel leven van het Middeleeuwse Brussel. De enige vrouw in het gezelschap is Bloemardinne, een gerespecteerde begijn uit een bekend Brussels schepengeslacht die voor haar tijd zeer gewaagde leerstellingen wist te verspreiden. Ze vertegenwoordigde de stem van een generatie die zich heftig verzette tegen de repressieve, dogmatische leer van de kerk.
Prinsengalerij
Zoals het een Europese hoofdstad betaamt kreeg Brussel in de 19de eeuw zijn overdekte winkelgalerij: de Sint-Hubertusgalerijen. De prestigieuze galerij trok met haar rijke klanten ook vele tippelaarsters aan. Hoewel bordelen met een vergunning met alle geweld uit deze buurt geweerd werden, bloeide de clandestiene prositutie. Ook het café concert, een nieuwe vorm an amusementsconsumptie die in de 19de eeuw ontstond, was een zeer geschikte locatie voor de dames van plezier. Een overblijfsel van de weelderige decoratie en barokke sfeer van dergelijke etablissementen vind je in de boekhandel Tropismes, Galerie des Princes nr.11, het voormalige Concert des Princes. Meer info over prostitutie in Brussel door de eeuwen heen vind u in onze dossierpagina Vrouwen van Lichte Zeden.
Sint-Goedele en Sint-Michielskathedraal
Sint Goedele is een typisch Brabantse heilige uit de 7de eeuw die uitmuntte door haar devotie en eenvoud. Naar verluidt werden de relieken van Sint Goedele in 1047 van een kapel op het Sint-Gorikseiland overgebracht naar de Sint-Michielskerk op de Molenberg. 25 jaar later begon men met de bouw van een Romaanse kerk, toegewijd aan twee heiligen, Sint Goedele en Sint Michiel. Van de 13de tot de 15de eeuw werd de kerk herbouwd tot de huidige gotische kathedraal. Het heiligdom was eeuwenlang een van de belangrijkste centra van cultureel en religieus leven in onze contreien. Lang voordat Brussel de hoofdstad werd, vonden hier reeds de officiële ceremonies van de Nederlanden plaats. Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden van 1502 tot 1530, werd hier in 1480 gedoopt. Je vindt haar beeldtenis in het koor, het eerste raam links. Aan de overkant staat zij nogmaals afgebeeld met haar tweede echtgenoot.
Een ander belangrijke figuur van wie de naam nauw verbonden is met de geschiedenis van de Sint-Goedelekathedraal is aartshertogin Isabella. Zij en haar man Albrecht vierden hier hun Blijde Inkomst in 1599. Ze staan afgebeeld in het tweede glasraam van de O.L.V.-kapel. Dankzij het mecenaat van Isabella wordt de Sint-Goedelekerk gerestaureerd. Ze was ook opdrachtgeefster van beide glasramen in de kruisbeuk. Het noordelijke raam stelt Keizer Karel en keizerin Isabella van Portugal voor en aan de zuidkant bevinden zich de afbeeldingen van Maria van Hongarije en haar man Lodewijk. De vrouwen worden altijd op een respectabele afstand van hun echtgenoot geplaatst. Hoewel het er in de praktijk vaak heel anders aan toe ging, gold in de geest en in de kunst de ondergeschikte positie van de vrouw als een onomstootbaar feit. Zelfs een indrukwekkende vorstin als Maria van Hongarije (1505-1558), die 24 jaar lang in naam van haar broer Karel V de werkelijke regering over de Nederlanden had, staat in de herinnering gebrandschilderd als ondergeschikt aan haar man. Deze laatste stierf nochtans op twintigjarige leeftijd in zijn geboorteland Hongarije en heeft nooit in de Nederlanden vertoefd.
De grafmonumenten van Albrecht en Isabella bevinden zich in de Sacramentskapel. In dit 'pantheon' van vorstelijke families bevinden zich ook de graven van Karel van Lotharingen, Margaretha van York, Catherina van Valois, de rekenkundige Lucretia van Grobbendonk(+1627), enz.
In het koor staat een beeld van de middeleeuwse mysticus en godgeleerde Jan ven Ruusbroec. In gelukzalige vervoering slaat hij zijn blik ten hemel terwijl hij met zijn rechtervoet het hoofd van de 'ketterse' Bloemardinne vertrapt. Dit is een staaltje van vrouwonvriendelijke geschiedvervalsing, dat teruggaat op een geschrift van Pomerius, die van Ruusbroec voorstelde als een strijdvaardige man die zich persoonlijk inzette voor de uitroeiing van ketterse ideeën, zoals die van Bloemardinne. In werkelijkheid stond Jan allerminst afkering tegenover vernieuwingen binnen het geloof en komt Bloemardinne niet voor in zijn geschriften.
Sint-Laurensstraat
Van Sint-Goedele is het maar een kleine stap naar de Sint-Laurensstraat, nu een treurige straat met veel leegstaande, vervallen gebouwen, vroeger een belangrijk centrum voor luxeprostitutie. In 1878 waren hier vijf bordelen van eerste klasse gevestigd. De 19de-eeuwse prostituees, die ingedeeld waren in hiërarchische klassen, werden verplicht zich in te schrijven in en register en zich te onderwerpen aan medische controle. Deze reglementen stimuleerden de bloei van clandestiene prostitutie, maar de luxebordelen leken daarentegen eerder wel te varen bij de strenge voorschriften. Toen in 1844 de nieuwe regeling van kracht werd conformeerde Anne-Marie Ricquis zich onmiddelijk. Ze baatte het meest luxueuze bordeel van Brussel uit, gevestid op nr. 14 in de Sint-Laurensstraat. Verder was in deze straat het dispensarium gevestigd waar prostituees zich twee keer per week moesten onderwerpen aan een medisch onderzoek.Dat publieke vrouwen volledig overgeleverd waren aan de repressie en controle van overheid en politie zorgde soms voor - breed in de pers uitgesmeerde - schandalen. Zo barstte in 1880 in Brussel het schandaal van 'de Engelse meisjes' los. Enkele politiecommissarissen, die twee twee minderjarige Engelse meisjes tot prostitutie dowongen werden beschuldigd van vrouwenhandel. Zelfs de burgemeester van Brussel was persoonlijk betrokken bij deze zaak. Een van de meisjes werd vastgehouden in het bordeel op nr. 22 in de Sint-Laurensstraat.
Meer info over prostitutie in Brussel door de eeuwen heen vind u in onze dossierpagina Vrouwen van Lichte Zeden.
Athénée Royal Gatti de Gamond
Als er één naam is die in de geschiedenis van het Belgische feminsime voortdurend opduikt, is het wel die van Isabelle Gatti de Gamond(1839-1905). Met haar moeder Zoé deelde ze de overtuiging dat een goed onderwijs een van de basisvoorwaarden was voor vrouwenemancipatie. In 1864, ze was toen 25, reichtte Isabelle de eerste stedelijke meisjesschool op met een volwaardig leerprogramma van lager middelbaar onderwijs. Toen ze 24 jaar later het onderwijs verliet, bood haar school een volledig onderwijsprogramma aan voor meisjes, gaande van een crèche over lager en middelbaar onderwijs tot een pré-universitaire opleiding. Het meest bijzondere aan de Cours d'Education pour Jeunes Filles was dat er een degelijke wetenschappelijke opleiding werd gegeven, dat de psychologische aanpak erg vooruitstrevend was en dat godsdienstlessen niet in het leerprogramma voorkwamen. Voor de eerste maal in de Belgische geschiedenis ontsnapte het meisjesonderwijs aan de invloed van de kerk. De leerlingen werden er niet voorbereid op een leven als huismoeder, wel op een universitaire opleiding. Isabelle Gatti de Gamonds diepgewortelde antiklerikale overtuigingen uitten zich ook in haar scherpe kritiek op het beleid van religieuze zusters in zieken- en bejaardentehuizen. Deze verzetten zich vaak met succes tegen de intreding van goed opgeleide lekenverpleegsters. Volgens Isabelle waren de zusters 'perfecte functionarissen van de conservatieve orde' die zich gedroegen 'naar de geest van de inquisitie'. Toeval of niet, de school Gatti de Gamond was gevestigd op enkele tientallen meters van een van de oudste religieuze ziekenhuizen van Brussel...
Voor meer info over Isabelle Gatti de Gamond kan u tercht op de spot-oprubriek van de website van RoSa of op onze dossierpagina Politiek en Feminisme.
Sint-Jansziekenhuis
Het Sint-Jansziekenhuis bevond zich oorspronkelijk in de buurt van het Sint-Jansplein. sinds de Middeleeuwen werd het bestierd door Augustinessen of 'Gasthuiszusters'. Deze leefden in een gesloten gemeenschap waar strikte regels golden inzake soberheid en gehoorzaamheid. Hun opleiding tot ziekenzuster was streng en relatief uitgebreid. De 'statuten' van het Brusselse Sint-Jansziekenhuis stonden in het begin van de 16de eeuw model voor andere Gasthuiskloosters in de Lage Landen. In 1843 verhuisde het hospitaal naar nieuwe gebouwen in de Kruidtuinlaan.Tot ca 1850 werkten in de ziekenhuizen weinig dokters. De feitelijke macht lag in handen van de Mère Superieur wat vaak tot conflicten leidde tussen dokters en zusters. In de tweede helft van de 19de eeuw werd het conflict stilaan beslecht in het voordeel van de burgerlijke macht. In 1906 werd de verplichte medische scholing van verplegend personeel vastgelegd en moesten de ziekenzusters definitief plaatsmaken voor opgeleide lekenverpleegsters. In de huidige Raad van Beheer van het Sint-Jansziekenhuis zetelen nog altijd zusters van de Augustinessengemeenschap. In 1935 bevonden de gebouwen van het Sint-Jansziekenhuis aan de Kruidtuinlaan in een zodanig erbarmelijke staat dat ze werden gesloopt. Een gloednieuw ziekenhuis Sint-Jan en Sint-Elisabeth verrees in de Broekstraat, op enkel meters van het Institut Gatti de Gamond. Meer informatie over de ziekenzusters kan u lezen in onze dossierpagina Religieuze Vrouwen.
Passage 44
Op de plaats van het oude Sint-Jansziekenhuis, de Passage 44, vond op 11 november 1972 de eerste Vrouwendag plaats, een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van het Belgische feminisme. Enkele maanden eerder waren feministische en progressieve vrouwen uit alle politieke, sociale, culturele en wetenschappelijke stromingen in Vlaanderen samengekomen. Ze vonden dat het hoog tijd was om de balans op te maken van de positie van vrouwen in de samenleving. De conclusie van de driedaagse was dat vrouwen in vele domeinen nog steeds ongelijke kansen hadden. Het Vrouwen Overleg Komitee (VOK) werd opgericht en op 12 mei 1972 togen enkele leden naar de Parijse Jours de dénonciation des crimes contre les femmes. Simone de Beauvoir, prominent spreekster op deze Franse vrouwendagen, werd uitgenodigd om in Brussel te komen spreken op 11 november. De datum van de eerste Vrouwendag - en daarmee ook van de volgende - lag meteen vast. Meer lezen over Simone de Beauvoir? Lees de RoSa-factsheet: Feministische denkers: Simone de Beauvoir
Circus- en Van der Elststraat
Terwijl het karakter van de meeste straten door de eeuwen heen onherkenbaar veranderde, hebben sommige buurten hun aloude functie enigzins behouden. De omgeving van de Circus- en Van der Elststraat stond al in de 17de eeuw bekend als prositutiebuurt en tot op vandaag bevinden er zich bordelen en seksshops. In het succesvolle boekje Bruxelles la nuit. Physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles, uitgegeven in 1868, luidt het dat deze straat 'ontegenzeggelijk een van de slechts gereputeerde straten van de stad is. Het is tegelijk de meest sombere en droefgeestige. Om tien uur 's avonds is het er verschrikkelijk. Je zakt er tot aan je knieën weg in de modder...'. Een glimp om de hoek van de Van der Elststraat volstaat om je deze scene levendig voor de geest te halen.Meer info over prostitutie in Brussel door de eeuwen heen kan u vinden in onze dossierpagina Vrouwen van Lichte Zeden.
Groot Begijnhof
Het Groot Begijnhof van Brussel werd gesticht in 1250 en groeide in enkele decennia uit tot een gemeenschap met 1200 begijnen, de grootste in de Zuidelijke Nederlanden. In de 14de eeuw telde dit 'ministadje' naast de talloze huisjes een infirmerie, een aantal boerderijen, met akkers en een veestapel, molens, moestuinen en een boomgaard. De begijnhoven bezaten een relatief grote autonomie ten opzichte van de patriarchale en ecclesiastische machten van hun tijd: ze kenden een verregaande vorm van zelfbestuur waarin economische zelfstandigheid, sociale vrede, veiligheid ern privacy gewaarborgd waren. Hoewel de reële klassenverschillen gerespecteerd bleven, kon zowel arm als rijk toetreden en had iedereen gelijk stemrecht en gelijke plichten. Het recht op betaalde arbeid was een privilege waarvan de meeste vrouwen van de Middeleeuwen tot in de 20ste eeuw verstoken bleven. Begijnen daarentegen kozen zelf hoe ze hun leven organiseerden: ze konden commerciële taken op zich nemen en individueel onderhandelen met burgers uit de stad over de waarde van hun producten of diensten. Vele specialiseerden zich in het wassen, bleken en bewerken van wol en linnen. In de 17de eeuw was kantwerk een belangrijke bron van inkomsten. Voor de stedelijke gilden betekenden de begijnen vaak geduchte handelsconcurrenten, die graag een loopje namen met de gildenregels. Sommige begijnen dreven hun commerciële activiteiten zo ver dat het begijnhofbestuur ermee dreigde hen de laan uit te sturen. In de 18de eeuw zette de Brusselse begijn Marie-Thérèse Camion bijvoorbeeld een handeltje op waarbij ze medebegijnen en leken in dienst nam om voor haar te kantklossen in een huurhuis van de stad. En de gezusters Anne en Suzanne Delmotte namen zo grote commerciële risico's dat zij failliet gingen.
Na een periode van gestadig verval in de 17de en 18de eeuw, maakt de Franse overheersing in 1797 definitief een einde aan het bestaan van het Brusselse Groot Begijnhof. Enkel de begijnhofkerk en hier en daar een huisje getuigen nog van deze eens zo rijke, bedrijvige vrouwengemeenschap. De geschiedenis van de Brusselse begijnen wordt ook verteld in onze dossierpagina Religieuze Vrouwen.
Sint-Jan De Doperkerk
De oorspronkelijke gotische kerk uit de 14de eeuw, waarrond het Brusselse Groot Begijnhof zich uitstrekte, werd na de beeldenstorm van 1566 'gerestaureerd' in de stijl van die tijd: de barok. Het mecenaat van de aartshertogen Albrecht en Isabella gaf de impuls tot de wederopbouw en van 1620 tot 1727 werd gewerkt aan wat een van de mooiste barokkerken van ons land zou worden. Op de oorspronkelijke fundamenten van de gotische kerk verrees een imposant bouwwerk, rijkelijk versierd met bloemen- en plantenguirlandes, prachtige reliëfs, engelenhoofd-decoraties en een indrukwekkende barokgevel. De begijnengemeenschap had veel kritiek te verduren omdat de zelfs voor die tijd ongewone uitstraling van pracht en praal niet strookte met hun oorspronkelijke gelofte van eenvoud en soberheid.Om de hoek in de zuidelijke dwarsbeuk hangt het portret van de Heilige Begga, die vanaf de 16de eeuw vereerd werd als patroonheilige van sommige begijnhoven. Je hoort vaak ten onrechte bewerken dat de term begijn afgeleid zou zijn van de heilige Begga; soms haalt men haar zelfs aan als stichteres van de begijnhoven. De vloer van de Sint-Jan De Doperkerk is haast volledig geplaveid met grafstenen: een van de weinige concrete getuigenissen van het vroegere leven van de begijnen. Meer informatie over het leven van de begijnen kan u vinden in onze dossierpagina Religieuze Vrouwen.
In de Rolstraat, schuin tegenover de toegangspoort van de begijnhofkerk, bevond zich op nr. 19 de woning van Louise Van den Plas (1877-1967). Zij richtte in 1902 Le Féminisme Crétien de Belgique op dat binnen de katholieke beweging het initiatief nam voor meer rechten voor de vrouw en vanaf het begin opkwam voor meer vrouwenstemrecht.
In de Grootgodshuisstraat, aan de oostkant van de begijnhofkerk, staat het Pacheco-instituut, een bejaardentehuis, dat in 1713 werd opgericht door de adelijke dame Marie Isabelle Des Marez ter nagedachtenis aan haar echtgenoot Antoine Pacheco. Oorspronkelijk bevonden zich op deze plaats de infirmerie en de boomgaard van het begijnhof. De infirmerie kreeg nadien de bestemming van 'Groot Godshuis' dat rond 1800 een van de belangrijkste inrichtingen voor ziekenzorg was in Brussel. Meer info kan u vinden in onze dossierpagina's Politiek en Feminisme en Vrouwenarbeid.

