home > dossierpagina's > vrouwenarbeid
Vrouwenarbeid in Brussel van de industriële revolutie tot de Tweede Wereldoorlog
Harry Van Royen
Tijdens het Ancien Régime werd elke stedelijke economische handeling gereglementeerd via de voorschriften van ambachten en gilden. In deze voorschriften was er van vrouwen geen sprake. Dat wil niet zeggen dat zij geen rol speelden in de stedelijke economie, integendeel zelfs. In de ambachtssector werd echter alleen rekening gehouden met de mannelijke gezellen en leerlingen, arbeid van vrouwen werd niet meegeteld. Zij kregen dan ook geen eigen vergoeding voor het gepresteerde werk. Hun loon was 'inbegrepen' in de vergoeding van hun echtgenoot. Ook zij die meehielpen als meid, kregen voor de niet-huishoudelijke arbeid geen extra vergoeding.
Toen de Zuidelijke Nederlanden in 1795 door Frankrijk werden geannexeerd, werden niet alleen de oude privileges van adel en clerus afgeschaft, maar ook de voorschriften en regels die het economisch leven in de stad tot dan toe hadden geregeld. Concreet was het de invoering van de wet Le Chapelier die de economische beroepsverenigingen en hun beperkende regels buiten de wet stelde. Vereniging met als doel arbeid te reglementeren, was van toen af strafbaar. De invoering van deze wet zorgde voor bijval bij handelaars en ondernemers. Het keurslijf van de ambachtsvoorschriften had hun expansiestreven reeds lang genoeg beknot. Deze economische liberalisering was weliswaar een goede zaak voor de ondernemers - door de nieuw verworven economische vrijheid kon het fabriekssysteem ontwikkeld worden en kon het systeem van de thuisarbeid verder worden uitgebouwd - maar de arbeiders, en zeker de vrouwelijke, werden er doorgaans niet echt beter van.
Bij de eerste echte nijverheidstelling in 1846 merken we dat de bedrijfsstructuur van het Ancien Régime overeind bleef. Het overgrote deel van de beroepen maakte enkel melding van mannen. De teruggevonden vrouwen (werkgeefsters én arbeidsters) oefenden een aantal traditionele vrouwenberoepen uit: 647 borduursters (incl. 46 werkgeefsters), 202 modistes (incl. 72 werkgeefsters), 81 zelfstandige naaisters, 585 linnennaaisters (incl. 186 werkgeefsters) en 163 mutsenmaaksters (incl. 85 werkgeefsters). Brussel stelde uiteraard meer dan 1578 vrouwen tewerk, ook in de textielbranche. Zo werden er wel 54 kantfabrikanten geteld, maar van de 370 vrouwelijke kantarbeidsters is er, net als van hun collega's in de katoenbranche, geen spoor terug te vinden in de statistieken.
Hoewel de Brusselse economie in de 19de eeuw er vooral één van diensten was, werd er toch ook geïndustrialiseerd. Mede dankzij de steeds toenemende mechanisering in de zware sectoren namen ook vrouwen deel aan dit proces. Een goed voorbeeld hiervan is de suikerraffinaderij. Dat de mechanisering zich in deze branche snel ontwikkelde, betekende niet dat de arbeidsters het makkelijk hadden: ze werden zowel ingeschakeld bij het lossen van de suikerbieten als bij het transport van de geraffineerde suiker. Dat transport betekende dat per dag minstens 700 klompen van elk 16 kilo moesten worden verplaatst. Ook bij het laden en lossen van vrachtschepen en in constructieateliers werden vrouwen ingezet. Een speciaal geval was de voedingssector, waar in een aantal specifieke bedrijfstakken vrouwelijke arbeiders de voorkeur kregen op mannen. Met name de chocolatiers zochten bij voorkeur vrouwelijk personeel. Jammer genoeg was dat niet omdat zij de emancipatie van de vrouw een warm hart toedroegen. Wel waren vrouwen veel goedkoper dan mannen en bovendien hadden zij de reputatie voorzichtiger en nauwkeuriger te zijn. Het lagere loon dat aan vrouwen (en ook aan kinderen) werd uitgekeerd, was heel goed overwogen. Doordat hun loon zo laag was, had een gezin immers nog een bijkomende bron van inkomsten nodig, maar aan de andere kant was het wel hoog genoeg om het loon van de man laag te houden, en dat was dan weer voldoende voor de reproductie van het arbeidsvermogen. Voor het patronaat een uitstekend argument om het systeem te willen handhaven. De arbeid was op geen enkel vlak gereglementeerd, misbruiken waren dan ook schering en inslag. Behalve in de textielsector verrichtten vrouwen meestal ongeschoolde arbeid. Dit betekende hoofdzakelijk magazijnwerk, maar vaak ook vuile en louter voorbereidende arbeid in abominabele hygiënische omstandigheden. Daarenboven klopten de (vrouwelijke) arbeiders lange dagen: werkdagen van 14 uur en meer waren geen uitzondering. Daar kwam nog eens bij dat geen onderscheid werd gemaakt tussen dag- en nachtarbeid, waardoor vrouwen en kinderen dikwijls moesten zwoegen onder het schrale licht van een gaslantaarn.
Tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw kwam het protest tegen deze praktijken langzamerhand van de grond, zowel binnen socialistische, liberale als sommige katholieke politieke fracties. Toch bleef het lot van de arbeidster bijna uitsluitend afhangen van de bereidwilligheid en de menselijkheid van de patroon: zo kwam het wel eens voor dat arbeidsters met veel kinderen thuiswerk mochten verrichten in de plaats van de dagelijkse kwelling in het atelier. Een andere 'droomjob' was een functie als wasvrouw of strijkster.
De eerste poging, in 1849, om het werk van vrouwen en kinderen wettelijk te regelen werd gekelderd door de Kamers van Koophandel omdat de ongereglementeerde arbeid van deze twee groepen noodzakelijk was voor het welzijn van de industrie. In het voorstel van Ducpétiaux en Visschers werd kinderarbeid onder de tien jaar verboden, net zoals nacht- en ondergrondse arbeid voor vrouwen (noteer wel dat het verbod op nachtarbeid voor vrouwen onlangs opnieuw bij wet is opgeheven). Een volgend voorstel voor een algemene wettelijke regeling van de hand van Charles Rogier werd in 1860 eveneens afgevoerd. Ondanks het geringe wettelijke enthousiasme voor de wantoestanden in industrie en nijverheden, kwam er wel enig onderzoek op gang. Naast de sociale wantoestanden maakten veel onderzoekers zich zorgen over de invloed van arbeid op de (katholieke) moraal, over 'mannenwerk' dat meer en meer door vrouwen werd verricht en over de teloorgang van de thuisarbeid waardoor steeds meer kinderen konden ontsnappen aan de ouderlijke controle. Het waren vooral de katholieken die het verband tussen arbeid en moraliteit ter sprake brachten, overigens zonder dat dit aanleiding gaf tot effectieve aanpassingen. Wel groeide er onder parlementsleden langzaam een consensus over het feit dat vrouwen en kinderen geen arbeid mochten uitvoeren waarvoor ze lichamelijk niet geschikt waren, zelfs als deze arbeid, in het geval van kinderen, in een 'spelsituatie' was geïntegreerd. Maar al bij al veranderde er weinig aan de arbeidsomstandigheden. Tegen het argument van het patronaat dat elke wijziging in de arbeidswetgeving een zware klap voor de slagkracht van de bedrijven zou betekenen, was blijkbaar geen enkel kruid gewassen.
Arbeiden in de 19de eeuw, zowel in Brussel als elders, was ongezond. Voor de patroon was dit geen enkel probleem. Arbeidskracht was er genoeg en bescherming of verbetering van de arbeidsomstandigheden kostte geld en deed dus de winst dalen. Ook dé Brusselse thuisarbeid bij uitstek voor vrouwen én kinderen, het kantwerk, was ongezond. De lange werktijden veroorzaakten bij de kantwerksters vergroeiingen van de ruggengraat. Het kwam zelfs dikwijls voor dat beroepsziekten zich reeds voor de meerderjarigheid manifesteerden.
De industriëlen propageerden niet enkel vrouwenarbeid, maar zoals we reeds hebben gezien, ook kinderarbeid. Meer nog, kinderarbeid werd beschouwd als een economische noodzaak. De mogelijkheid om een kind vanaf het daar rijp voor was (tussen zes en tien jaar, afhankelijk van de inschatting) te laten werken, werd politiek verdedigd met de slogans 'liberté du père de famille' en 'liberté du travail'. Met vrijheid had de keuze om kinderen te laten werken echter niet veel te maken. Het was veeleer de enige mogelijkheid voor een familie om te overleven. Pas in 1889 zou kinderarbeid, vooral ten gevolge van de schrijnende wantoestanden in de mijnen, worden gereglementeerd. En pas na de Eerste Wereldoorlog, toen de wet van 1914 op het verplicht lager onderwijs effectief werd uitgevoerd en de feitelijke minimumleeftijd om te gaan werken op veertien jaar kwam te liggen, kon België zich voegen bij de andere West-Europese naties, die hun arbeidswetgeving reeds eerder hadden aangepast. Ondertussen stonden de katholieke politici (zoals Charles Woeste) voor een dilemma wat betreft de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt: kiezen voor de ideologisch correcte vrouw-aan-de-haard of de economisch voordelige vrouwenarbeid. Pragmatische overwegingen haalden het op ideologische bekommernissen, zodat zelfs voorstellen voor het invoeren van een maand zwangerschapsverlof of een verplichte rustdag niet werden weerhouden.
Een ander gevoelig punt in de loop van de 19de eeuw was de huisvesting van arbeiders. Huisvesting is hier eigenlijk een groot woord, het was meer een onderkomen om tussen twee werkdagen wat te kunnen uitrusten. De arbeidershuisjes waren dan ook allesbehalve ruim. Door de angst voor cholera en tyfus kreeg de burgerij wel wat meer aandacht voor de woonomstandigheden van de arbeidersmassa. Er werd waterleiding aangelegd, en zowel de Zenne als de beken die er in uitkomen werden overwelfd. De groei van de Brusselse nijverheid had ondertussen gezorgd voor een nieuw fenomeen: de beluiken. Deze woningen waren dikwijls niet het eigendom van de fabrieks- of ateliereigenaar maar van een middenstander. De legendarische beenhouwer Wouters had in 1853 bijvoorbeeld alle huizen van de Schoenengang in zijn bezit. Door het opvullen van wat daarvoor nog tuingrond was, werd de grondopbrengst maximaal. De Schoenengang was gelegen in de Brusselse wijk met de meeste armen, namelijk de Marollen, maar dit kon de speculatiedrift niet afremmen. Wanneer de dagloners nergens aan de slag konden, moesten zij immers hun onderstandssteun gebruiken om de huur te betalen. Licht en lucht waren een schaars goed in deze beluiken, terwijl de vochtigheidsgraad er relatief hoog was. Met het witten en het pekken van de gevels trachtte men het huis en de gezondheid van de bewoners toch zoveel mogelijk te vrijwaren. Voor het overige gold voor de Brusselse beluiken ongeveer hetzelfde als voor die in andere steden: zo was er bijvoorbeeld slechts één toilet en één waterpomp voor de hele impasse. Op dit vlak was de Schoenengang er nog iets beter aan toe: in de kelders werd niet gewoond en er waren drie latrines voor tien huizen. Om betere behuizing te kunnen aanbieden, werden na verloop van tijd maatschappijen opgericht zoals het 'Comité de patronage des habitations ouvrières et des institutions de prévoyance' . Onder hun impuls kreeg Brussel haar eerste sociale woonkazernes.
De detailhandel is een andere sector waarin veel vrouwen waren tewerkgesteld. Deze helpsters moesten zowel winkel- als huisarbeid verrichten. Maar ook de echtgenote van de handelaar werd haast altijd ingeschakeld in het bedrijf. Zij was niet geregistreerd en niet afzonderlijk geremunereerd, want stond 'in dienst' van de echtgenoot die alle financiële en juridische handelingen uitvoerde.
Vanaf ca. 1845 kreeg de detailhandelaar concurrentie van de Bon Marché in de Nieuwstraat. Dit eerste magazijn creëerde nieuwe werkgelegenheid voor vrouwen. De Bon Marché richtte zich aanvankelijk uiteraard op een kapitaalkrachtig publiek: naast de gewone detailzaken kon men er luxeproducten aantreffen als parfums, meubels en allerlei snufjes. Ook kleding nam er een belangrijke plaats in.
De sanering van de Zenne en de urbanistische heraanleg van de stad had eveneens een belangrijk effect op de ontwikkeling van handel en nijverheid. Werd de nijverheid grotendeels naar de kanaalzone gedirigeerd, dan kwam de handel verder tot bloei op de nieuwe boulevards. Op de Anspachlaan werden in 1876, op de pas gedempte Zenne, de Grands Magasins de la Bourse opgericht, het eerste echte grootwarenhuis. In 1897 kwam er een andere grote naam bij: A l'Innovation, een magazijn dat zich naar een relatief bemiddeld publiek richtte, met goede prijzen voor detailartikelen. Het belang van deze warenhuizen voor de vrouwenemancipatie mag zeker niet worden onderschat: ze creëerden niet alleen volwaardige jobs voor vrouwen, maar ook zorgde de technologische vooruitgang op het vlak van huishoudartikelen, die werd vertaald in betaalbare warenhuisproducten, voor een aanzienlijke verlichting van de huishoudelijke taak. Daarnaast zorgden de grootwarenhuizen ervoor dat 'mooie kleding' betaalbaar werd voor arbeidersvrouwen.
De opkomst van de grootwarenhuizen was niet de enige nagel aan de doodskist van de kleinhandel. Rond 1880 ontstond ook de coöperatieve beweging. De coöperatieve winkel trachtte de arbeidersklasse niet alleen politiek 'op te voeden' en aan een bepaalde partij te binden, maar creëerde ook de mogelijkheid om een op alternatieve manier producten aan te kopen. Winkelen in een coöperatieve werd extra aantrekkelijk gemaakt door het spaarmotief: per jaar kreeg de klant, afhankelijk van het bestede bedrag, een aandeel in de winst. De Brusselse hoge burgerij en adel trok uiteraard niet zelf naar de winkel. Zij verkregen hun benodigdheden via de meid die naar de lokale winkel ging, ofwel werden de waren aan huis geleverd door de gespecialiseerde winkel of het grootwarenhuis.
Een baan als bediende in een magazijn was voor vele vrouwen een andere, nieuwe mogelijkheid om zich te emanciperen via arbeid. Hier was de opkomst van de typmachine een belangrijk ijkpunt. Van een ware toevloed van vrouwelijke kantoorbedienden kan men echter niet spreken, daarvoor was het beroep van klerk nog te veel omgeven met prestige, en vrouwen en prestige hoorden nu eenmaal niet samen. Bovendien was het typen zelf zeer zware arbeid. Wilde men effectief een letter op papier krijgen, dan moesten de toetsen met de nodige kracht worden aangeslagen. Vrouwen werden wel massaal aangeworven als demonstratrices van typmachines. Fabrikanten zagen blijkbaar brood in de commerciële aanleg van vrouwen. Ook in de branche van de telefonie, die op het einde van de 19de eeuw in opgang was, waren vrouwelijke arbeidskrachten erg gegeerd. Een vrouwenstem aan de telefoon bij het doorschakelen sprak de (mannelijke) bellers duidelijk meer aan dan een mannenstem. Deze twee nieuwe beroepen hadden aanvankelijk een lage sociale status. Na verloop van tijd begonnen telefonistes, demonstratrices en typistes, zich bij te scholen via cursussen steno, dactylo en anderstalige handelscorrespondentie, zodat ze konden promoveren naar een functie als bediende.
In de meeste West-Europese landen betekende de Eerste Wereldoorlog een enorme stimulans voor de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. In België maakte de rigide bezetting een gelijkaardige evolutie vrijwel onmogelijk. Het zou pas vanaf de 'roaring twenties' zijn dat vrouwen, vooral als kantoorbediende, een werkelijke doorbraak konden forceren op de arbeidsmarkt. Vrouwelijke aanwezigheid op kantoor stelde de bedrijfsleiders vaak voor een dilemma. Aan de ene kant vond men dat vrouwen op kantoor de zaak wel wat konden 'verlevendigen', maar aan de andere kant de vrouwelijke aanwezigheid ook als 'gevaarlijk' beschouwd. De prioriteit lag dus bij de vraag welke gevolgen de vrouwelijke aanwezigheid had voor de werkkracht en de motivatie van de mannelijke kantoorbedienden. Sommige bedrijfsleiders anticipeerden op het 'gevaar' dat in de aanwezigheid van vrouwen schuilde door op de werkvloer een segregatie door te voeren. Zo ontstonden heuse typkamers waarin de vrouwen werden afgescheiden van de andere bedienden. In de jaren dertig werd de grote stap voorwaarts die vrouwen op de arbeidsmarkt hadden gemaakt opnieuw tenietgedaan. Ten gevolge van de grote economische crisis werden allerlei beleidsmaatregelen uitgevaardigd om de vrouwen terug naar de haard te sturen Ook bij de overheid werden de lonen van vrouwelijke ambtenaren eerst bevroren en later ingekrompen.
We hebben nog niets gezegd over het dienstpersoneel. Vrouwen uit de adel en de hoge burgerij moesten zich uiteraard niet bekommeren om het huishouden. Voor arbeidersvrouwen was dit voorrecht natuurlijk een verre droom: zij moest haar werk, het huishouden en de zorg voor de kinderen trachten te combineren. Een alternatief, dat echter niet voor iedereen was weggelegd, was thuisarbeid: deze vorm van arbeid maakte de dubbele dagtaak draaglijk, en zorgde bovendien voor een beperking van het gederfde loon.
In de Brusselse kringen van adel en hoge burgerij waren dienstmeiden een gegeerd goed. Zij werden voornamelijk op het platteland gerekruteerd. Voor de 19de-eeuwse adel was dat geen probleem: deze beschikte immers meestal over een kasteel in de provincie waar families uit het nabijgelegen dorp tewerkgesteld waren. Uit die dienstfamilies of dienstrelaties werden jonge meisjes naar het kasteel gehaald, waar ze als kamermeid aan een carrière in het adellijk huishouden konden beginnen. Adellijke families die niet beschikten over een eigen rekruteringsterrein, konden zich steeds wenden tot plaatsingsbureaus. Het harde werk en het lage loon zorgden er voor dat vanaf het Interbellum enkel nog dochters van keuterboeren zich lieten overhalen tot een job 'downstairs'.
Het leven van de meiden was geen lachertje. De leefomstandigheden waren doorgaans weinig comfortabel (weinig slaap, weinig voedsel) en de meid moest onder andere instaan voor het wassen, het aanmaken en aanhouden van een groot keukenvuur, het linnenonderhoud, de kachels en de parketvloer. Daar kwam dan nog het taalprobleem bij: de Vlaamse plattelandsmeisjes spraken niet dezelfde taal als de adel en de burgerij. Over het algemeen waren meiden kwetsbaar, wat zich onder meer uitte in een groot aantal zwangerschappen. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er enige verbetering in hun situatie: de socialisten dienden een wetsvoorstel in om de dienstmeiden een wettelijk statuut te geven en binnen de katholieke zuil ontstond het 'Oeuvre des Servantes' dat een bijscholingsdienst en sociale opvang verzorgde. In Brussel richtten twee politicae, de liberale Jane Brigode en de katholieke Louise Van den Plas, een succesvolle plaatsingsdienst voor meiden op. Aan het meidenberoep zelf werd echter niet geraakt. Voor de katholieke senator Maria Baers bijvoorbeeld was het 'gaan dienen' een 'ware school van huishoudelijke opleiding met het oog op het eigen toekomstige gezin', een zienswijze die werd gedeeld door de socialistische en liberale vrouwenverenigingen.
Nog veel kwetsbaarder dan de meiden waren de ambulante handelaars of leurders. Gewone handelaars konden hun waren nog aan de man brengen op de (vroeg)markten, maar de leursters, die te voet, met de hondenkar of met de trein naar Brussel afzakten, moesten hun waar van deur tot deur proberen te verkopen. Naast zand, krijt, mosterd en azijn werden vooral boter en eieren op die manier verkocht. Leurders kwamen uit de streek tussen Brussel en Leuven en uit het Pajottenland. In beide streken ontstond in de loop van de 19de eeuw een tuinbouwcultuur die in de eerste plaats op Brussel was gericht: witloof uit Midden-Brabant en aardbeien uit het Pajottenland zijn hier de twee uitschieters.
Bibliografie
DE KEYZER D., Madame est servie, Leuven, 1995.
DE MAEYER J., VAN ROMPAEY L., (red.), Upstairs-Downstairs. Dienstpersoneel in Vlaanderen 1750-1950, Gent, Leuven, 1996.
HANNES J., De economische bedrijvigheid te Brussel, 1846-1847. Controle en aanvulling van de nijverheidstelling van 15.10.1846, Parijs, Leuven, 1975.
JAUMAIN S., Les petits commerçants belges face à la modernité (1880-1914), Brussel, 1995.
MARX, A.J., Het kantoor in de loop der eeuwen, Deventer, 1980.
NEUVILLE J., La condition ouvrière au XIX siècle, Brussel, 1976.
SCHOLLIERS P., Een industrieel-archeologisch onderzoek. Proletarische wooncultuur in de 19de eeuw: de schoenengang in de Brusselse Marollenwijk, in Tijdschrift voor Geschiedenis van Techniek en Industriële Cultuur, 6/4, 1988, p. 9-19.
Nog meer weten over vrouwenarbeid?
Neem een duik in de rijke collectie van RoSa en doorzoek onze databank.


