home > dossierpagina's > religieuze vrouwen

Religieuze vrouwen: begijnen, kluizenaressen en kloosterlingen

Machteld De Schryver

1. De begijnenbeweging: korte historiek

Het fenomeen van de begijnenbeweging is een typisch verschijnsel van het christelijke Europa uit de late Middeleeuwen. De beweging kwam tot stand na de 'donkere eeuwen' en de kerkelijke hervormingsfase onder paus Gregorius VII (1073-1085). Een van de belangrijkste aspecten van deze hervorming was de herintrede van het streven naar armoede, verzaking aan alle aardse goederen en 'evangelische zuiverheid'. In navolging hiervan ontstonden allerlei armoedebewegingen. Rondtrekkende vrome mensen verkondigden overal hun nieuwe idealen. Ze werden 'wanderpredigers' of rondtrekkende predikers genoemd. Tussen 1100 en 1300 ontstonden, in chronologische volgorde, de Norbertijnen of Premonstratenzers, de Cisterciënzers, de Franciscanen, de Katharen of de Albigenzen en tenslotte ook de apostolieken of de begijnen en begarden. .

Het wekt weinig verbazing dat deze onconventionele, asociale verkondigers, met vaak eigen opvattingen over de kerkelijke macht, de sacramenten en het huwelijk, snel in botsing kwamen met zowel het wereldlijke als het kerkelijke gezag. De Katharen werden als ketters gebrandmerkt en door middel van een kruistocht bloedig onderdrukt. In Frankrijk en Duitsland werden tal van processen aangespand tegen deze 'ketterse apostolieken', wat resulteerde in categorieke veroordelingen, zoals de dood op de brandstapel. Het is in deze woelige periode dat het woord 'beginus-begina' opduikt, meer bepaald bij een proces in Keulen in het jaar 1209. In die tijd betekende beginus 'ketter' of 'schijnvrome'.

In België maakten rondzwervende begijnen voor het eerst hun opwachting in het Romaanse landsgedeelte, met name in het prinsbisdom Luik, in Hoei en in Nijvel. Toen de begijnen zich begonnen te groeperen, bemoeide de kerk zich met de zaak. Op het vierde Lateraanse Concilie, georganiseerd in 1215, werd zowel de begijnenbeweging als de stichting van nieuwe kloosterorden verboden. Maar door toedoen van verontwaardigde geestelijken uit de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik, wijzigde men in pauselijke kringen al snel van houding. Paus Honorius III stond een afwijking op het hoger vermelde concilie toe waardoor de begijnenbeweging in de Nederlanden vanaf 1216 de mondelinge zegen krijgt. In amper vijfentwintig jaar tijd zouden, beginnende vanuit Luik, Vlaanderen en Brabant en verder tot in Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Polen, Hongarije en Midden-Europa de begijnhoven als paddestoelen uit de grond schieten. In Duitsland, Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden zouden vanaf de 14 de eeuw echter allerlei veroordelingen, verbanningen en vervolgingen roet in het eten gooien. Het Concilie van Vienne (1311) behandelde nogmaals de kwestie en stelde de Brabantse begijnen onder het rechtstreekse toezicht van paus Johannes XXI. Vanaf dan begonnen verschillende begijnengroeperingen te kiezen voor de overgang naar een andere orde, zoals de Franciscanen, of voor een vereniging in een hospitaal. In landen als Duitsland en Frankrijk bleven de begijnen, weliswaar dikwijls onder een andere vorm tot ca. 1500 bestaan. Onder meer ten gevolge van financiële problemen was hun dagelijkse leven echter geen pretje. Onze gewesten vormden een uitzondering op deze weinig florissante situatie: hier ging de bloei die was ingezet in de 13 de eeuw gewoon door. .

2. Begijnen in de Zuidelijke Nederlanden: van zwerversbestaan tot prachtige begijnhoven

Het fenomeen van de begijnenbeweging is een typisch verschijnsel van het christelijke Europa uit de late Middeleeuwen. De beweging kwam tot stand na de ‘donkere eeuwen’ en de kerkelijke hervormingsfase onder paus Gregorius VII (1073-1085). Een van de belangrijkste aspecten van deze hervorming was de herintrede van het streven naar armoede, verzaking aan alle aardse goederen en ‘evangelische zuiverheid’. In navolging hiervan ontstonden allerlei armoedebewegingen. Rondtrekkende vrome mensen verkondigden overal hun nieuwe idealen. Ze werden ‘wanderpredigers’ of rondtrekkende predikers genoemd. Tussen 1100 en 1300 ontstonden, in chronologische volgorde, de Norbertijnen of Premonstratenzers, de Cisterciënzers, de Franciscanen, de Katharen of de Albigenzen en tenslotte ook de apostolieken of de begijnen en begarden

Het wekt weinig verbazing dat deze onconventionele, asociale verkondigers, met vaak eigen opvattingen over de kerkelijke macht, de sacramenten en het huwelijk, snel in botsing kwamen met zowel het wereldlijke als het kerkelijke gezag. De Katharen werden als ketters gebrandmerkt en door middel van een kruistocht bloedig onderdrukt. In Frankrijk en Duitsland werden tal van processen aangespand tegen deze 'ketterse apostolieken', wat resulteerde in categorieke veroordelingen, zoals de dood op de brandstapel. Het is in deze woelige periode dat het woord 'beginus-begina' opduikt, meer bepaald bij een proces in Keulen in het jaar 1209. In die tijd betekende beginus ‘ketter’ of ‘schijnvrome’. .

In België maakten rondzwervende begijnen voor het eerst hun opwachting in het Romaanse landsgedeelte, met name in het prinsbisdom Luik, in Hoei en in Nijvel. Toen de begijnen zich begonnen te groeperen, bemoeide de kerk zich met de zaak. Op het vierde Lateraanse Concilie, georganiseerd in 1215, werd zowel de begijnenbeweging als de stichting van nieuwe kloosterorden verboden. Maar door toedoen van verontwaardigde geestelijken uit de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik, wijzigde men in pauselijke kringen al snel van houding. Paus Honorius III stond een afwijking op het hoger vermelde concilie toe waardoor de begijnenbeweging in de Nederlanden vanaf 1216 de mondelinge zegen krijgt. In amper vijfentwintig jaar tijd zouden, beginnende vanuit Luik, Vlaanderen en Brabant en verder tot in Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Polen, Hongarije en Midden-Europa de begijnhoven als paddestoelen uit de grond schieten. In Duitsland, Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden zouden vanaf de 14 de eeuw echter allerlei veroordelingen, verbanningen en vervolgingen roet in het eten gooien. Het Concilie van Wenen behandelde nogmaals de kwestie en stelde de Brabantse begijnen onder het rechtstreekse toezicht van paus Johannes XXI. Vanaf dan begonnen verschillende begijnengroeperingen te kiezen voor de overgang naar een andere orde, zoals de Franciscanen, of voor een vereniging in een hospitaal. In landen als Duitsland en Frankrijk bleven de begijnen, weliswaar dikwijls onder een andere vorm tot ca. 1500 bestaan. Onder meer ten gevolge van financiële problemen was hun dagelijkse leven echter geen pretje. Onze gewesten vormden een uitzondering op deze weinig florissante situatie: hier ging de bloei die was ingezet in de 13 de eeuw gewoon door.

3. Begijnen in de Zuidelijke Nederlanden: van zwerversbestaan tot prachtige begijnhoven

Reeds eerder werd verwezen naar het bestaan van rondzwervende begijnen in het Romaanse deel van het land. Volgens geschiedkundig onderzoek zou het oudste begijnhof van het Vlaamse territorium het Groot Begijnhof ‘Ten Hove’ in Leuven zijn geweest. ‘Ten Hove’ werd gesticht in 1232. Nadien volgden begijnhoven in Gent, Antwerpen, Ieper en Zoutleeuw. In Brussel waren er drie begijnhoven: het klein begijnhof van Anderlecht, gesticht in 1242, het Groot Begijnhof of het Onze-Lieve-Vrouw-Begijnhof Ten Weyngaerd, gesticht in 1250 of 1253, en een begijnhof in de bovenstad, vlakbij de Koningsstraat. Dit laatste was voornamelijk bedoeld voor dames uit de betere klassen. In onze streken waren alle begijnhoven gevestigd in de steden. Een uitzondering hierop vormt het begijnhof van Anderlecht en dat van het Limburgse Lummen. Zoals eerder gesteld was de situatie van de begijnhoven in onze streken volledig verschillend van die in de rest van Europa. Opvallend is dat de begijnen in de Zuidelijke Nederlanden gesteund en begiftigd werden door diverse pausen zoals Gregorius IX, Innocentius IV en Urbanus VI, en door kardinalen, bisschoppen en lokale heersers. Belangrijke wereldlijke sponsors waren Hendrik I, Jan I van Brabant, diverse gravinnen van Vlaanderen, zoals Margaretha van Constantinopel, en de aartshertogen Albrecht en Isabella. Soms werden begijnhoven ook opgericht op initiatief van belangrijke geestelijken of kloosterlingen. Voor de ontvangen steun moesten de begijnen natuurlijk wat terugdoen: de weldoeners eisten van de begijnen een degelijke en strikte organisatie met welomschreven statuten, een gedegen geestelijke leiding en de uitbouw van een ‘afgescheiden gemeenschap’. Met andere woorden: de begijnen werden door verschillende instanties gecontroleerd en beknot in hun vrijheid .

De huisvesting van de begijnen kende een snelle en duidelijke evolutie. Eerst waren het zwerfsters, later gingen ze zich groeperen rond een bidplaats of een hospitaal, in een zogenaamd ‘begijnenconvent’. De laatste stap was het creëren van een ‘eigen agglomeratie’, een gemeenschap met beschermende muren, een poortgebouw, een eigen kerk en kerkhof, een infirmerie en boerderijen met akkers, een veestapel, boomgaarden en moestuinen. In documenten wordt vaak gesproken over de ‘Hortus Conclusus’, het ‘Besloten Hof’, over de ‘gekloosterde begijnen’ of de ‘beginae clausae’. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden, meer bepaald in een aantal Vlaamse steden en Brussel, werden prachtige begijnhofcomplexen gebouwd, die de tand des tijds goed hebben doorstaan. Dat veel van deze begijnhoven de naam ‘Ten Weyngaerd’ dragen is zeker geen toeval. Ook het Groot Begijnhof van Brussel, gevestigd tussen de eerste en de tweede stadsomwalling, droeg deze titel.
Het Brusselse reglement beschrijft nauwkeurig twee categorieën meisjes en openbare erkende prostitutie-instellingen. Enerzijds waren er de vast werkende prostituees of filles de maison. Zij werkten en woonden in een bordeel met licentie of maison de tolérance. Anderzijds waren er de losse prostituees of filles éparses. Dit waren straatprostituees die thuis werkten of voor het uitoefenen van hun beroep kamers huurden in een maison de passe. De prostituees moesten zich inschrijven in het register dat door de politie werd bijgehouden en ze moesten al hun papieren - paspoort, geboortebewijs en dergelijke - afgeven op het politiekantoor. In ruil daarvoor kregen ze een prostitutieboekje. Hierin werden nauwkeurig alle gegevens over de prostituee in kwestie genoteerd en elk blad werd door de politiecommissaris geparafeerd. Ook de data van de medische onderzoeken en de gezondheidstoestand werden in dit boekje bijgehouden. Aangezien de prostituees beschouwd werden als verspreiders van venerische ziekten moesten ze zich twee maal per week onderwerpen aan een verplicht medisch onderzoek. Dit gebeurde in het dispensarium, gelegen in de Sint-Laurensstraat te Brussel, door speciaal hiervoor aangestelde geneesheren.

4. De begijnen: levenswijze, verklaring van de term

De levenswijze van de religieuze vrouw of begijn wordt in oude documenten vaak omschreven als ‘zuster bruid van Christus’ of ‘een besloten, ongerept en zuiver hofje’. Deze terminologie roept herinneringen op aan religieuze, mystieke teksten zoals het welbekende ‘Hooglied van koning Salomon’ of de ‘Kantiek der Kantieken’. Hierin is vaak sprake van een ‘verzegelde tuin’ en ‘de wijngaard des Heren’. Archiefonderzoek wees ook uit dat vanaf 1240 de term ‘begina’ courant werd gebruikt. Op dat moment lijkt het woord haar oorspronkelijke, spottende bijklank verloren te hebben en krijgt het de betekenis die we vandaag aan de term verlenen.

Een exacte omschrijving van ‘begijn’ is niet eenvoudig, en dit omwille van meerdere factoren. Eerst en vooral is het statuut van de begijnen nooit erg duidelijk geweest. Begijnen zelf beweerden hierover trouwens vaak tegenstrijdige dingen. Soms beschreven ze zichzelf als echte religieuzen, een andere keer weer niet. Hierbij moeten we wel opmerken dat ze hun religieuze statuut vooral ontkenden in woelige periodes zoals tijdens de Franse Revolutie, toen men alle religieuze instellingen wilde afschaffen en naar een algemene laïcisering streefde. Begijnen zouden we het best kunnen omschrijven als een tussenschakel tussen kloosternon en leek. Ze liepen gekleed in een bepaald habijt, dat meestal zwart of beige van kleur was. In tegenstelling tot kloosterzusters hadden begijnen echter wel een bepaalde functie, waarvoor ze ook bezoldigd werden. Het begijnhof als gemeenschap zouden we dan ook kunnen omschrijven als een goed gestructureerde parallel van een lekenorganisatie uit die tijd, zoals een gilde. Begijnen legde een gelofte af van gehoorzaamheid tegenover hun oversten en de statuten. Ze waren celibatair en leefden ‘in schamelheid’. In tegenstelling tot hun kloosterzusters waren begijnen echter niet voor de eeuwigheid gebonden aan het celibaat en leefden ze ook niet in totale armoede. Het hebben van bezittingen, huisraad en zekere inkomsten was voor hen nooit verboden.

Lange tijd bracht men het woord begijn in verband met de heilige Begga, de vermeende stichteres van de begijnen. Dit is echter onjuist want de heilige Begga leefde in de zevende eeuw. Later dacht men dat ‘begijn’ te maken had met ‘beige’, de typische kleur van het habijt, maar dat was verre van uniform. Nog een andere verklaring legt de link met de Luikenaar Lambert li Beges, een priester, volkspredikant en vertaler van de Heilige Schrift, die wegens zijn aanhoudende kritiek op de kerk verbannen werd en overleed in 1177. De huidige stand van onderzoek houdt het echter bij het etymologisch verband tussen ‘begijn’ en het Middelnederlandse ‘beggen’ of het Engelse ‘to beg’, die beiden ‘smeken, bedelen, vragen’ betekenen. Volgens deze visie verwijst de term ‘begijn’ naar de oorspronkelijke leefsituatie van vrome vrouwen, meer bepaald naar de periode vóór de uitbouw van een degelijke organisatie, toen zij rondzwierven en bedelden.

5. Levensonderhoud en succes van de begijnenbeweging

Begijnen mochten, zoals eerder vermeld, hun persoonlijke bezittingen behouden. Ze mochten renten innen en moesten instaan voor hun eigen inkomen, bijvoorbeeld door handenarbeid. Begijnen mochten ten allen tijde huwen, vermits ze niet waren gebonden aan een eeuwige gelofte; wanneer ze huwden moesten ze het begijnhof definitief verlaten.

Het plotse succes van de begijnenbeweging in de eerste helft van de 13 de eeuw kan door meerdere factoren worden verklaard. Het was een tijd waarin bezinning en vroomheid heropleefden. Het celibatair leven stond hoog aangeschreven. De kruistochten, die het aantal mannen in de maatschappij sterk hadden toen teruglopen, hadden voor een vrouwenoverschot gezorgd. De slechte economische situatie had bovendien de landadel verarmd, zodat er vaak geen degelijke bruidsschat kon gevonden worden voor de dochters. Wellicht is het ook geen toeval dat intellectuele, vorstelijke dames, zoals Vlaamse gravinnen en Brabantse hertoginnen, zich in de hoedanigheid van beschermer en geldschieter, met de begijnenbeweging hebben beziggehouden. Vonden zij het belangrijk, in een periode waarin alles razendsnel veranderde, om deze nieuwe levenswijze te promoten? Wilden zij op hun manier een rol spelen in de tot dan toe volledig door mannen beheerste maatschappij? Of wilden ze zich op die manier verzekeren van hun stukje hemel?

6. Ligging en vorm van de begijnhoven - aantal leden

Vandaag liggen bijna alle Vlaamse begijnhoven in een uithoek van een of andere ‘grote’ stad. Dit is geen toeval. Ook vroeger lagen de begijnhoven in een buitenwijk, ver van het middeleeuwse stadscentrum. Soms waren ze buiten de stadsmuren gevestigd, soms lagen ze vlakbij de stadswallen. Begijnhoven bevonden zich dikwijls vlakbij een waterloop. De aanwezigheid van water was immers essentieel, zowel voor het opwekken van energie via watermolens, voor de hygiëne en het lichaamsonderhoud, als voor het eigen levensonderhoud. Begijnen hebben steeds een belangrijke rol gespeeld in de plaatselijke textielnijverheid, en voor deze activiteiten was het water van beken, rivieren en beemden noodzakelijk. Veel begijnen hielden zich bezig met de wolbereiding, met het wassen en bleken van wol, of het bleken van laken. Bij de teloorgang van de lakenindustrie werd overgestapt naar andere disciplines: zo hielden tal van begijnen zich bezig met borduren, het maken van zijden bloemen of kantklossen. Nog later werden begijnen ingeschakeld in de opvang en verpleging van bedelaars, in de ziekenzorg en in het onderwijs.

Exacte cijfers van het aantal begijnen in één begijnhof zijn schaars. De begijnenbeweging kende immers ups en downs en in Vlaanderen bestonden zowel kleine, middelgrote als grote gemeenschappen. Wat het uitzicht betreft werden de begijnhoven ingedeeld in twee categorieën: het pleinbegijnhof, zoals bijvoorbeeld dat van Anderlecht, en het stadsbegijnhof zoals dat van Brussel. Tijdens de beginperiode van de begijnenbeweging, in de 13 de eeuw, telde een begijnhof tussen tien en enkele tientallen begijnen. Gedurende de bloeiperiode in de 14 de eeuw waren begijnhoven met honderden begijnen geen uitzondering. Na de periode van de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen in de 17 de en 18 de eeuw, begon het verval en liep het aantal begijnen stelselmatig terug. Sommige documenten spreken van een driehonderdtal leden, heel zelden wordt er nog gewag gemaakt van een begijnhof met 800 tot 900 begijnen.

7. De begijnhoven van Brussel

Het Klein Begijnhof van Anderlecht werd opgericht in 1242 of in 1252. Het is ongeveer even oud als het Groot Begijnhof van Brussel. Als begijnhof is het altijd een bescheiden gemeenschap geweest; de statuten lieten slechts 8 begijnen toe in dit ‘ministadje’. Het Anderlechtse begijnhof behoort daarom tot de kleinste en meest pittoreske begijnhoven van het land. De Anderlechtse begijnen stonden onder het toezicht van de kanunniken van het kapittel van de Sint-Pieters en Sint-Guidokerk. In Anderlecht kregen ze later de treffende bijnaam ‘klappeien’. Het begijnhof werd ook als ‘klaphuis’ omschreven. Hoewel de begijnen hun voorbehouden plaatsen hadden in de hoger vermelde kerk was er in het begijnhof een eigen, kleine bidkapel aanwezig. Als je het begijnhof binnenwandelt via de omheining en het kleine poortgebouw in het noorden zie je het centrale begijnhofpleintje met een grasperk en een mooie waterput. Aan de rechterkant liggen de oudste gebouwen die teruggaan tot de periode van de stichting; links bevinden zich recentere constructies, opgetrokken na een brand in 1756, en daarom ook groter en luxueuzer dan de overkant. Het is in dit gedeelte dat de Groot-Juffrouw woonde en waar bedelaars werden opgevangen en met ingezamelde giften overladen. Onder impuls van de vroegere burgemeester Felix Paulsen en historicus Daniël Van Damme en met medewerking van de plaatselijke bevolking werd dit pand na een dure restauratiecampagne in 1930 heringericht tot een van de meest charmante folkloremusea in ons land. Vandaag kan men er allerlei objecten zien die verwijzen naar de vroegere levenswijze van de begijnen, naar het boeiende en complexe verleden van Anderlecht en naar het belang van de Sint-Guido-verering. Blikvangers zijn onder andere een begijnenslaapkamer en een heuse bollenwinkel. Naast het internationaal bekende Erasmushuis is dit Anderlechtse begijnhof een van de pareltjes van het architecturaal patrimonium van onze hoofdstad.

Voor het Groot Begijnhof van Brussel worden vier vrome zussen aangehaald als stichteressen, nl. de zussen Beatrijs, Helwaida, Ada en Katharina Lechien. Als data worden zowel 1247 als 1250 vooropgesteld. Met andere woorden, de stichting van het Groot Begijnhof moet in dezelfde periode worden gesitueerd als dat van Anderlecht. Een kleine primitieve kapel, gewijd aan Sint Jan de Doper, was de eerste gezamenlijke en centrale gebedsplaats. Het kapittel van Sint-Goedele was verantwoordelijk voor de opstelling van de statuten en reeds vanaf 1252 was een priester actief als zielenzorger. Aanvankelijk lag dit begijnhof volledig buiten de stad, dus aan de overkant van de stadsmuren, in de onmiddellijke buurt van de ‘Zwarte Toren’. Het Groot Begijnhof kende al vlug een groot succes: rond 1300 waren er al meerdere conventen gebouwd, alle met opvallende Nederlandstalige benamingen zoals ‘klein en groot Gooik’, de ‘Maagdenburg’, het ‘Hofje van Olijven’ en de ‘Wijngaard des Heren’. In nog geen vijftig jaar was het aantal begijnen gestegen tot 1200. Een nieuwe, grotere en gotische gebedsruimte, de voorganger van de huidige barokkerk, liet dan ook niet lang op zich wachten. Door de bouw van de tweede Brusselse stadsomwalling (1357-1380) kwam het Groot Begijnhof echter tussen beide stadsmuren te liggen en strekten de gronden zich uit tot vlakbij de Lakense Poort. Het 'ministadje' groeide, en de gronden met boerderijen, molens, moestuinen en een boomgaard strekten zich uit tot aan de kaaien en het kanaal van Willebroek. Na de beeldenstorm en het korte calvinistische bewind, waarbij vooral de gotische kerk te lijden had, keerden de gevluchte begijnen terug. Met de steun van aartshertogen Albrecht en Isabella en via allerlei collectes werd in 1620 begonnen met de bouw van een nieuwe, modieuze en barokke kerk. Deze barokkerk is een van de meest imponerende gebedshuizen van ons land, met indrukwekkende afmetingen en rijke versieringen, zowel wat de gevel als het interieur betreft. De naam van de architect van deze prachtige kerk is tot op heden nog niet achterhaald. De bouw van deze prestigieuze kerk zorgde niet alleen voor een mooi uitzicht voor de begijnen; langdurige, vooral financiële perikelen hebben de bouw van de kerk voortdurend overschaduwd.

In de 17 de en 18 de eeuw raakte het Groot Begijnhof in een impasse: het aantal begijnen verminderde dan ook zienderogen. De doodsteek kwam er op het einde van de 18 de eeuw, tijdens het bewind van Jozef II en de Franse periode. Het Groot Begijnhof van Brussel werd uiteindelijk opgeheven, ontbonden en verkaveld in 1797. Op dit moment is er niet zo veel meer over van het eens zo rijke begijnhof. Enkel de mooie begijnhofkerk en enkele huisjes in de Begijnhofstraat hebben de tand des tijds doorstaan. Waar ooit de infirmerie en de boomgaard stond, werd in 1827 een nieuw Godshuis opgetrokken, het bejaardentehuis Pacheco. De allerlaatste Brusselse begijn overleed in stilte, in 1833. De tientalle afgesleten maar daarom niet minder interessante grafstenen in de vloer van de Begijnhofkerk zijn vandaag de laatste bewijzen van een grote Nederlandstalige gemeenschap van vrome vrouwen. We raden u dan ook aan voorbij de Sint-Katelijnekerk, de Zwarte Toren en het Zaterdagplein te lopen en deze oase van rust en nostalgie aan het Begijnhofplein en de Grote Godshuisstraat te ontdekken.

8. Kluizenaressen en reclusen in Brussel

Een ander fenomeen in verband met vrouwelijke devotie dient nog te worden vermeld. In de vierde eeuw kwam vanuit het Oosten het verschijnsel van de kluizenaars op gang. Vaak leefden deze ver weg van de bewoonde wereld, bij voorkeur in de woestijn. Later, en dit tot in de 15 de eeuw, lieten tal van West-Europese vrouwen zich levenslang opsluiten of inmetselen in een kluis of cel in of aan de kerk of dichtbij een kerkhof, als het ware een leven lijdend nabij de dood. Aldus aanvaardden zij voor het leven begraven te zijn en te leven met de ‘dood voor ogen’, naar het voorbeeld van de gevangen Johannes de Doper of de gevangen Christus, en dus als een ‘mystica sepultura’. In oude teksten is er sprake van inclusen of reclusen, woorden afgeleid uit het Latijn (includere, recludere). Volgens geschreven bronnen zouden er in de 12 de eeuw ongeveer 10.000 vrouwen deze levenswijze hebben verkozen. Zij worden echter zelden bij naam genoemd. Opmerkelijk is dat ook dit fenomeen een stedelijk verschijnsel was. Sommige kluizenaressen leefden in de buurt van de grote abdijen. In teksten is er sprake van steun van stadsbesturen, onder andere in de vorm van geschenken en het geven van eetwaren op feest- en zondagen. Rijkere kluizenaressen hadden een dienstmeid die hen van alle nodige middelen voorzag. In de St.-Pieters en St.- Guidokerk te Anderlecht leefde een kluizenares opgesloten dichtbij het hoogkoor, rond het midden van de 17 de eeuw; Cecilia Van der Sloot was als kluizenares verbonden aan de St.-Gorikskerk en gelegen tussen de Onze-Lieve-Vrouwekerk van de Zavel en het kerkhof stond de kluis van Margaretha Grammaye, overleden in 1605.

9. Ziekenzorg in Brussel. 800 jaar werking van de Gasthuiszusters-Augustinessen

In het Ancien Régime berustte de verzorging van zieken, lepralijders, verzwakte pelgrims, vondelingen, bejaarden en hoogzwangere vrouwen bij diverse instanties. De meeste van deze instanties waren religieuze gemeenschappen. Toch waren naast verschillende ‘Tafels van de Heilige Geest’ ook seculiere genootschappen of broederschappen actief. In deze bijdrage gaat onze aandacht uit naar de Gasthuiszusters of de Augustinessen in Brussel. Opmerkelijk is dat zij zich met haast alle van de daarnet vermelde zorgen bezighielden, terwijl er in andere steden van het land op dit vlak een strikte scheiding was.

Van Broederschap naar Religieuze Communauteit

In 1159 werd reeds melding gemaakt van het ‘pelgrimshuis’ of het gasthuis Sint-Jacob van Overmolen op de Coudenberg. Het was de wens van de Brabantse hertog Hendrik I om deze stichting om te vormen tot een hospitaal, waarbij contact werd gezocht met de Hospitaalridders van Jeruzalem. Ondanks een intense briefwisseling en verschillende bezoeken leverden deze onderhandelingen niets op. In 1186 werd dan, naar het voorbeeld van Keulen, een Broederschap van de Heilige Geest opgericht. In een tijdspanne van nog geen zestig jaar zou deze gemeenschap organisatorisch worden uitgebouwd en ook anders gaan functioneren. Ze verwierf niet alleen allerlei inkomsten, maar ook belangrijke statuten, onderverdeeld in 36 artikelen. De gemeenschap werd onder het patronaat van Sint Jan de Doper geplaatst, en met de toestemming van paus Innocentius III werd ze tot een religieuze instelling omgevormd, naar de regels van de Heilige Augustinus. Tussen 1207 en 1450 was dit ‘dubbelklooster’, bestaande uit 3 broeders en 10 zusters, actief in het opvangen van bevallingsklare vrouwen, van verlaten kinderen, van ernstig verzwakte armen die niet meer konden bedelen en van zieken, inclusief pestlijders. In 1450 werd het dubbelklooster opgeheven, en zouden enkel nog zusters tot de gemeenschap worden toegelaten. Mannen werden enkel nog als knecht ingeschakeld en leefden in een aparte afdeling van het klooster. Het aantal toetredingen steeg gestaag. Tussen de 15 de en de 18 de eeuw waren er respectievelijk 20, 25 en 32 geregistreerd. Met deze cijfers behoorden de Brusselse Gasthuiszusters tot een van de grootste Augustinessengemeenschappen van ons land. Het kloosterdomein was complex en bestond uit meerdere bijgebouwen, binnenpleinen, werkruimten, een kruidentuin en de romano-gothische Sint-Janskerk die als het ware het hart van de kloostergemeenschap vormde. Verder waren er verschillende ziekenzalen - voor mannen, vrouwen en zusters - met, afhankelijk van de periode, tussen 40 en 77 bedden. De gebouwen bevonden zich tot 1843 tussen het Sint-Jansplein, de Gasthuis- en de Magdalenastraat en het Oud Koornhuis. Het Brusselse Sint-Jansziekenhuis op-den-Poel bevond zich met andere woorden in het hartje van de binnenstad.

Een voorbeeldig gasthuis in de Zuidelijke Nederlanden

De statuten van het Sint-Jansziekenhuis op-den-Poel en de hervormingen van het klooster, vooral inzake tucht in het begin van de 16 de eeuw, golden als model voor andere Gasthuiskloosters in de Lage Landen, zoals die van Mechelen, Antwerpen, Herentals, Geel, Vilvoorde, Aalst en zelfs Bergen-op-Zoom. Er ging grote aandacht uit naar de opleiding van de verplegenden en naar de tucht binnen de gemeenschap. De vormingstijd duurde tussen vier maanden en een jaar, en nadien stonden de verzorgsters nog drie jaar onder toezicht van anderen. Novicen werden pas toegelaten na een grondig onderzoek. Het aantal schommelde tussen minimum 17 en maximum 32. In een gesloten communauteit zoals het Gasthuisklooster waren soberheid en eenvoud, zuiverheid, strikte gehoorzaamheid en liefde in verbondenheid de sleutelbegrippen. Fouten of overtredingen werden met sancties bestraft. De werkdag begon om half vijf ‘s ochtends en eindigde om negen uur ‘s avonds. Vermits het beddenaantal niet groot was en vermits er volgens bewaard gebleven documenten meestal tussen 160 en 200 zieken werden verpleegd, lagen de patiënten doorgaans met meerdere in één bed. Dat laatste was tijdens het Ancien Régime trouwens helemaal niet ongewoon. Nadat ze genezen waren kregen de gasten al hun bezittingen en hun gewassen en herstelde kledingstukken terug en mochten ze nog een drietal dagen blijven om te versterken. Een belangrijke troef van de Gasthuiszusters was het voedsel: de zieken kregen driemaal per week een vleesmaaltijd en bier. Bier was de enige drank die in die tijd honderd procent zuiver en betrouwbaar was. De Gasthuiszusters hadden ook een lucratieve kruidentuin, onder andere door de verkoop van producten aan leken. Twee zusters waren verantwoordelijk voor de apotheek. Pestlijders werden zoveel mogelijk apart verpleegd of overgebracht naar het Minderbroedersklooster, waar de Zwartzusters en de Alexianen instonden voor de verzorging.

De periode van Oostenrijkse en Franse heerschappij zorgde voor grote veranderingen in het kloosterwezen. ‘Nutteloze’ orden werden afgeschaft en de Sint-Pieters-leprozerij werd omgevormd tot een belangrijk succursaal. De Gasthuiszusters echter overleefden de seculariseringsstorm en bleven als leken zonder habijt verder actief in de welzijnssector. In 1818 kreeg de orde opnieuw meer armslag en nieuwe bezittingen. Het aantal zustertoetredingen steeg gestaag. Het oude Sint-Jansziekenhuis werd afgebroken en er werd een nieuw en uiterst modern complex met paviljoenen gebouwd aan de huidige Pachecolaan (op de plaats van de Passage 44). Het Sint-Pietersziekenhuis werd een belangrijke onderrichtplaats voor kraamvrouwen en chirurgen. Een belangrijke operatiezaal werd ingewijd in 1890 en er werd tevens een nieuwe privé-kliniek opgericht, toegewijd aan Sint-Jan en Sint-Elizabeth. Vanaf 1906 werd de ‘medische scholing’ van de zusters verplicht.

Bibliografie

COECKELBERGHS Denis, LOZE Pierre, L'église St.-Jean-Baptiste au Béguinage, Brussel, 1981.
DES MAREZ G., Guide illustré de Bruxelles, Brussel, 1979.
OLYSLAGER W.A., 750 jaar Antwerpse Begijnen, Kapellen, 1990.
VANDENBERGHE Stéphane, INSTALLE Henri, OCKELEY Jaak, DE NIJN Heidi, 800 jaar Onze-Lieve-vrouwegasthuis - uit het erfgoed van de Mechelse Gasthuiszusters en het OCMW, [tentoonstellingscatalogus Stedelijke Musea Mechelen], Mechelen, 1997.
VANDENBROECK Paul, KRISTEVA Julia, PELZER B., e.a., Hooglied: de beeldwereld van religieuze vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden vanaf de 13 de eeuw, [tentoonstellingscatalogus Paleis voor Schone Kunsten], Brussel, 1994.
VAN GOUBERGEN W., Les soeurs hospitaliers Augustins de Bruxelles, 1186-1986, Brussel, 1986.
VERLAECKT Ghislaine, A la recherche des dames du temps jadis au coeur de Bruxelles, [brochure], Brussel.

Nog meer weten over de religieuze vrouwen?
Neem een duik in de rijke collectie van RoSa en doorzoek onze databank.

 

 

Site Map | ©2007 RoSa Documentatiecentrum | Meer info of vragen? Contacteer ons

Cityt(r)ips Brussel kwam tot stand met steun van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Gelijke Kansen Vlaanderen