home > dossierpagina's > politiek en feminsme
Politiek en feminisme
Marit Geypen
Vijftig jaar na de invoering van het vrouwenkiesrecht voor het Parlement en de provincieraden in België is er nog steeds een geringe betrokkenheid van vrouwen bij het politieke leven. De formele gelijkheid op het gebied van stemrecht werd wel gerealiseerd, maar dit wijzigde weinig aan de feitelijke machtsverhoudingen. Zo is er zowel in de Belgische nationale wetgevende instellingen als in de deelstaatparlementen geen sprake van evenwichtige verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Dit is trouwens in heel Europa het geval, met uitzondering van de Scandinavische landen en Nederland. En toch hebben vrouwen de voorbije eeuwen een hele weg afgelegd om politieke rechten en tevens gelijke kansen inzake rechtsbekwaamheid, onderwijs en arbeidspositie te verwerven.
1789-1830
De ideeën van de Franse revolutie waaiden al snel over naar de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik. In vergelijking met de Franse vrouwen, lieten de 'Belgische' vrouwen weinig van zich horen. Toch volgden zij de situatie op de voet en boden zij hulp aan de opstandige patriotten. In 1789 werd zelfs de vraag naar vrouwenkiesrecht gesteld, maar in het voorontwerp van grondwet voor de Verenigde Belgische Staten (1790) werd hierop negatief geantwoord in art. 20: 'Vrouwen kunnen geen kiezers of afgevaardigden zijn, net zomin als het dienstpersoneel'. Met de annexatie van het latere België bij Frankrijk in 1795 verdween al gauw de hoop op gelijkheid.
Het Burgerlijk Wetboek (1804) dat door Napoleon ingevoerd werd, vestigde een systeem van wettelijke ongelijkheid van man en vrouw; de gehuwde vrouw werd onbekwaam verklaard en gelijkgesteld met de minderjarigen en zwakzinnigen. De traditionele gezinsstructuur die in dit wetboek uitgewerkt werd, zou zich tot het einde van de 19de eeuw kunnen handhaven. Tegelijkertijd waren vrouwen ten gevolge van de kloof tussen het private en publieke domein uit de politiek uitgesloten. Onder het Nederlandse bewind zou het stemrecht onder bepaalde voorwaarden aan vrouwen (voornamelijk weduwen) toegekend worden.
1830-1890
Alhoewel vrouwen aan de Belgische opstand deelnamen, durfden ze in een tijdsklimaat getekend door het Napoleontisch Wetboek nog geen gelijkheid eisen. In de Belgische grondwet zouden de vrouwen uitgesloten worden van politieke rechten op basis van hun sekse. De nieuwe liberale grondwet vestigde geen democratie; slechts een kleine minderheid van mannen die een bepaalde som aan rechtstreekse belastingen kon betalen, verkreeg stemrecht. Het cijnskiesrecht sloot ongeveer 98% van de Belgische bevolking uit. Vrouwen hadden geen stemrecht, waren niet verkiesbaar - in tegenstelling tot mannen voor wie gold dat ze Belg en minstens 25 jaar oud moesten zijn - en konden geen politieke functies bekleden of lid worden van een politieke vereniging. De juridische ongelijkheid van man en vrouw werd vastgelegd in het burgerlijk wetboek, in het handels- en het strafwetboek.
Het gelijkheidsideaal van het Franse utopisch socialisme van Saint-Simon en Fourier trok verschillende ontwikkelde vrouwen uit de middenklasse aan. In de jaren 1830-1840 vormde zich rond Zoé Gatti de Gamond (1806-1854) een kleine kern die de achtergestelde positie van de vrouw aan de kaak stelde. In een samenleving die voorstander was van een strikte rollenverdeling tussen man en vrouw, stuitten hun feministische standpunten op vijandige reacties. Vooraleer vrouwen politiek een rol konden spelen, moest de mentaliteit van zowel mannen als vrouwen gewijzigd worden. Zoé Gatti de Gamond en haar medestanders waren van mening dat een goed meisjesonderwijs de intellectuele achterstand van de vrouw ten opzichte van de man, die reëel was ten gevolge van het gebrek aan degelijk onderwijs, zou wegwerken en de weg naar politieke rechten vrijmaken. Zoé Parent deelde de ideeën van haar vriendin Zoé Gatti de Gamond en bouwde met de steun van haar echtgenoot Constantin Héger een meisjesinstituut met bijzonder goede reputatie uit.
Vanaf de jaren 1860 werden door 'verlichte' liberale burgers verschillende middelbare scholen voor meisjesonderwijs opgericht. In 1864 richtte Isabelle Gatti de Gamond (1839-1905), dochter van Zoé, met de hulp van enkele Brusselse prominenten de eerste stedelijke meisjesschool met een volledig leerprogramma van lager middelbaar onderwijs op: de 'Cours d'Education pour Jeunes Filles'. Door het grote succes werd in 1876 een tweede en in 1908 nog een derde school geopend. In de volgende jaren kwamen gelijkaardige instellingen in andere steden en gemeenten tot stand en zouden ook de katholieke scholen hun programma's aanpassen en verruimen. Men hoopte dat via deze scholen ook vrouwen naar het universitair onderwijs zouden doorstromen.
Vanaf de jaren 1880, 1881 en 1882 konden vrouwelijke studenten zich inschrijven aan respectievelijk de Brusselse, Luikse en Gentse universiteit. De Leuvense universiteit zou pas in 1920 meisjesstudenten toelaten. Maar zelfs met een diploma bleef het voor de vrouw moeilijk een eigen carrière uit te bouwen, aangezien de samenleving haar opleiding eerder als een persoonlijke verrijking zag en haar rol in het huisgezin benadrukte. Zo moest de eerste Belgische vrouwelijk arts Isala van Diest (1842-1905), die haar diploma in 1877 in Bern haalde en nadien nog bijkomende proeven in Brussel aflegde, tot in 1884 wachten vooraleer ze dankzij een speciaal Koninklijk Besluit een praktijk mocht uitoefenen. De eerste Belgische juriste Marie Popelin (1846-1913) die in 1888 haar diploma aan de ULB haalde, werd door het Hof van Beroep ongeschikt verklaard om het beroep van advocaat uit te oefenen. Dit vonnis werd een jaar later door het Hof van Cassatie bevestigd en zou pas in 1922 herroepen worden.
1890-1918
De affaire Popelin veroorzaakte heel wat opschudding, toonde duidelijk aan dat onderwijs niet volstond om de bestaande ongelijkheid van man en vrouw op te heffen en leidde in 1892 tot de stichting van de Ligue belge du droit des femmes door Marie Popelin en Louis Frank. Deze eerste Belgische feministische organisatie streefde hervormingen op economisch, moreel, educatief én politiek vlak na, maar nam de eis van politieke gelijkheid aanvankelijk niet in haar programma op. Via lezingen en voordrachten wilde de vereniging vrouwen hun burgerlijke rechten leren kennen en druk uitoefenen op de discriminerende wetgeving. Conform dit standpunt kwam de Ligue in 1892-1893 dan ook niet op voor vrouwenstemrecht, toen onder socialistische druk het cijnskiesrecht vervangen werd door het algemeen meervoudig stemrecht (1893), waardoor elke man minstens één stem kon uitbrengen en sommige mannen zelfs twee of drie, afhankelijk van hun vermogen, gezinssituatie en diploma. Naar aanleiding van discussies in de Kamer over de herziening van de gemeentelijke kieslijsten in 1895 zou de Ligue wel beginnen ijveren voor vrouwenstemrecht, maar het maatschappelijke en politieke klimaat in België was hiervoor op dat moment helemaal nog niet rijp.
Rond de eeuwwisseling bepaalden electorale belangen de houding van de Belgische politieke partijen tegenover het vrouwenstemrecht. De Belgische Werkliedenpartij had in haar programma de gelijkheid van man en vrouw opgenomen en verdedigde dan ook het vrouwenstemrecht. In 1902 kwam hieraan een einde toen de partij een akkoord sloot met de liberale partij om een einde te maken aan de katholieke meerderheid. De liberalen, die net als de socialisten principieel voor vrouwenemancipatie gewonnen waren, vreesden het vrouwenstemrecht omdat ze meenden dat de vrouwen conservatief zouden stemmen en dat zo de katholieke meerderheid nog lang zou blijven bestaan. De katholieke partij, die haar overwicht ten gevolge van het gewijzigde kiesrecht en de invoering van de evenredige vertegenwoordiging (1899) in plaats van het meerderheidsstelsel zag afnemen, schatte de politieke situatie uiteraard op dezelfde manier in. De partij die oorspronkelijk het meest tegen de feministische emancipatieprogramma's gekant was, ging vanaf 1902 het vrouwenstemrecht om pragmatische redenen verdedigen.
In het katholieke kamp waren naast de zuiver utilitaristische feministen ook overtuigde voorstandsters van grotere autonomie voor vrouwen terug te vinden. In 1902 richtte Louise Van den Plas (1877-1967) samen met René Colaert en René Henry Le Féminisme Chrétien de Belgique op, dat vanaf het begin voor vrouwenstemrecht opkwam. Het christelijk feminisme bleef echter gebonden aan de sociale leer van de Kerk; het benadrukte het verschil en de complementariteit van de seksen en de verschillende rolpatronen voor mannen en vrouwen. Ook binnen liberale en socialistische zuilen ontwikkelde zich een feministische beweging. Het burgerlijk feminisme wilde ideologisch neutraal zijn, maar leunde aan bij de liberale opinie, en verdedigde de economische onafhankelijkheid van de vrouw en de gelijkheid binnen het huwelijk. Voor de socialistische feministen, die vooral begaan waren met vrouwenarbeid, primeerde de klassenstrijd.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog klonk niet alleen de socialistische eis van algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen), maar begonnen ook feministische bewegingen, mede onder invloed van het internationale feminisme, voluit het vrouwenstemrecht eisen. In 1913 vormden de Ligue belge du droit des femmes, Le Féminisme Chrétien en vier liberale vrouwenverenigingen de Fédération belge pour le Suffrage des Femmes om politieke gelijkheid te eisen. De oorlog zou echter plots een einde maken aan de acties van de Fédération.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijdden vele vrouwen zich aan hulpverlening. Onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog richtten Louise Van den Plas en Jane Brigode (1870-1952) de Union Patriotique des Femmes Belges op, met als belangrijkste taak de meest behoeftige vrouwen aan het werk te houden. Dit centrum werd al snel opgenomen in het Nationaal Hulp- en Voedingscomité, dat onder meer brood- en soepbedelingen organiseerde en pakketten voor Belgische gevangenen klaarmaakte. Vrouwen uit alle lagen van de bevolking waren erin actief. Enkele vrouwen waren werkzaam in het verzet; sommigen van hen werden voor hun acties, die voornamelijk bestonden uit het doorspelen van inlichtingen, gearresteerd en veroordeeld. Bekende voorbeelden zijn Edith Cavell en Gabriëlle Petit die beide door de bezetter geëxecuteerd werden. Tevens waren talrijke vrouwen als verpleegster actief aan het front en in ziekenhuizen. Daarnaast werkten Belgische vrouwen in de oorlogsindustrie tijdens hun ballingschap in Engeland of Frankrijk.
1918-1945
De oorlog en de bezetting hadden geen emanciperend effect ondanks de geleverde en gewaardeerde prestaties van een groot aantal vrouwen. Het feit dat vrouwen zich vier jaar lang moesten concentreren op 'klassieke' vrouwelijke taken zoals voeden, verzorgen en beschermen, bevestigde alleen maar het traditionele beeld van de vrouw. Na de wapenstilstand eisten de Belgische feministen opnieuw vrouwenstemrecht, maar zonder succes. Dit in tegenstelling tot Nederland, Luxemburg en Duitsland waar het vrouwenstemrecht 1919 wel ingevoerd werd. In België doken na de Eerste Wereldoorlog de oude partijpolitieke tegenstellingen rond het vrouwenstemrecht weer op: in ruil voor het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen dat door de socialisten geëist werd, vroegen de katholieken het vrouwenstemrecht.
Uiteindelijk werd er een compromis bereikt. In 1919 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen vanaf 21 jaar ingevoerd - er werd geargumenteerd dat de mannen gelijkelijk gedeeld hadden in het oorlogsleed - en werden enkele categorieën van vrouwen stemgerechtigd, namelijk weduwen of alleenstaande moeders van gesneuvelde soldaten en vrouwen die wegens verzetsdaden waren gevangengezet (wet van 9 mei 1919). Een jaar later kregen de meerderjarige vrouwen stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen (wet van 15 april 1920). Tenslotte verwierven de vrouwen nog het recht om verkozen te worden op gemeentelijk (1921), provinciaal (1921) en nationaal (Kamer 1920, Senaat 1921) niveau. Bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen waarbij vrouwen - uitgezonderd prostituees en overspelige vrouwen - hun stem mochten uitbrengen (24 april 1921), stemden vrouwen echter niet voor vrouwen. Het vrouwenstemrecht en de verkiesbaarheid van vrouwen bij gemeenteraadsverkiezingen veranderde bijna niets aan de mannelijke samenstelling van de gemeenteraden. Gedurende het Interbellum zouden slechts 3 % van de kandidaten en 1 % van de verkozenen bij de gemeenteraadsverkiezingen vrouwen zijn. Op nationaal vlak werden in deze periode slechts drie vrouwen (Lucie Dejardin, Isabelle Blume-Grégoire en Alice Degeer-Adère) rechtstreeks voor de Kamer verkozen, terwijl in de Senaat Marie-Anne Spaak-Janson vanaf 1921 en Maria Baers vanaf 1936 gecoöpteerd werden. Tenslotte belandde ook Odila Maréchal-Van den Berghe nog in de Senaat dankzij het electorale succes van het VNV in 1936.
Uit de verkiezingspropaganda - vrouwen werden aangesproken in traditionele rol van moeder en huishoudster - blijkt duidelijk dat er nog geen sprake was van politieke gelijkheid van de seksen en dat de publieke opinie de politiek nog altijd als een mannenzaak beschouwde. Aan de meeste vrouwelijke mandatarissen werd dan ook een typisch 'vrouwelijk' werkterrein zoals onderwijs, sociale zaken of gezinsbeleid toegewezen. Toch was de sociaal-economische positie van de vrouw tijdens het Interbellum geleidelijk aan het veranderen. De scholingsgraad van de vrouwen nam toe en bijna alle beroepen kwamen voor hen open te staan. Op de arbeidsmarkt, zeker in de tertiaire sector, begonnen ze sterker door te dringen. De economische crisis van de jaren 30, die met een hoge werkloosheid gepaard ging, bedreigde echter de arbeidskansen van de vrouwen. Koninklijke Besluiten weerden gehuwde vrouwen uit de arbeidsmarkt en het ideaal van de vrouw aan de haard werd (opnieuw) sterk verspreid. De feministische beweging nam naast de verdediging van de vrouwenarbeid tevens de verdediging van de democratie en de vrede op zich, economische gelijkheid werd gekoppeld aan politieke emancipatie. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd deze evolutie onderbroken. Ook tijdens deze oorlog moesten de vrouwen zich concentreren op het 'overleven' en waren ze actief in het verzet.
1945-1965
Na de Tweede Wereldoorlog werden het patriottisme en de moed van de vrouwen in het verzet geprezen en geloofde men sterk in de kracht van de democratie. Hoewel het principe van vrouwenstemrecht niet meer in vraag gesteld werd, duurde het toch nog enkele jaren vooraleer de Belgische vrouwen stemrecht voor de parlements- en provincieraadsverkiezingen verkregen. Discussies over het moment van inwerkingtreding en verschillende regeringswisselingen zorgden voor enige vertraging. Dit in tegenstelling tot Frankrijk waar de vrouwen reeds in 1944 actief en passief stemrecht op alle niveaus verwierven. Uiteindelijk werd in 1948 het vrouwenstemrecht voor parlements- (wet van 27 maart 1948) en provincieraadsverkiezingen (wet van 26 juli 1948) goedgekeurd.
Op 26 juni 1949 werden de eerste naoorlogse wetgevende verkiezingen gehouden. Uit de verkiezingsuitslag blijkt dat er zich nog geen echte mentaliteitswijziging voorgedaan had. Vrouwen hadden niet massaal op vrouwelijke kandidaten gestemd. Weinigen van hen stonden trouwens op verkiesbare plaatsen op de kieslijsten. Uiteindelijk kwamen dertien vrouwen in het Parlement terecht (zes in de Kamer en zeven in de Senaat). Dat betekent dat slechts 3,3 % van de parlementsleden vrouwen waren, terwijl het electoraat voor 52 % vrouwelijk was. Tot 1971 zou het aantal vrouwelijke parlementsleden slechts tussen 2 en 4 % schommelen. Een onderzoek uit 1955 toonde aan dat in België het kiesgedrag van de vrouwen weinig verschilde van dat van de mannen.
De jaren 50 waren belangrijk voor de politieke bewustwording van de vrouwen; ze engageerden zich onder andere in de koningskwestie en de schoolstrijd. Van een echt politiek bewustzijn als vrouw was echter nog geen sprake. De politieke partijen hadden niet veel belangstelling voor de politieke vorming van vrouwen en de vrouwenwerkgroepen binnen de partijen moesten dan ook optornen tegen een mannelijke meerderheid. Vrouwenorganisaties, zoals de Nationale Vrouwenraad (opgericht in 1905), trachtten de discriminatie van vrouwen op burgerrechtelijk en economisch gebied weg te werken, niet zonder enig succes. Zo verkregen vrouwen in 1958 rechtsbekwaamheid en in 1965 de gedeeltelijke ouderlijke verantwoordelijkheid via een wet op de jeugdbescherming.
1965-1975
In de jaren 60 zou de stijging van welvaart en comfort, die zich reeds vanaf de jaren 50 ten gevolge van technologische vernieuwingen ingezet had, verder toenemen. Vrouwen kregen meer toegang tot het hoger onderwijs en meer kansen op de arbeidsmarkt. Bovendien konden ze dankzij de opkomst van betrouwbare anticonceptiemiddelen hun gezins- en beroepsleven beter op elkaar afstemmen. De toename en geleidelijke veralgemening van de vrouwenarbeid bracht de feitelijke economische discriminatie van de vrouwen, onder meer op het vlak van promotiekansen en loon, opnieuw duidelijk aan het licht. Zo was art. 119 van het Verdrag van Rome (door België geratificeerd in 1957) over de gelijkheid van loon dode letter gebleven. De staking van de arbeidsters van de Fabrique Nationale d'Armes in Herstal in 1966 om 'gelijk loon voor gelijk werk' te krijgen, kon dan ook op solidariteit van de verschillende vrouwenbewegingen rekenen. De bewustwording van de sociaal-economische discriminaties leidde echter niet tot een bewustwording van de politieke ongelijkheid tussen man en vrouw. De vrouwen drongen in deze periode vooral aan op hervormingen op het vlak van de arbeids- en gezinssituatie.
Op 28 juli 1965 werd het nieuwe ministerie van het Gezin toegewezen aan Marguerite De Riemaecker-Legot (1913-1977), die sinds 1946 voor de CVP in de Kamer zetelde. Zij werd zo de eerste vrouwelijke minister in België. In maart 1966 werd aan dit ministerie ook Huisvesting toegevoegd. De Riemaecker behield deze functie tot in 1968, toen Gustave Breyne het van haar overnam. Na haar moest men tot 1973 wachten vooraleer opnieuw een vrouw in de regering kwam. Toen werd Maria Verlackt-Gevaert (1916-1983) aangesteld tot staatssecretaris voor het Gezin en Irène Scheys-Pétry (°1922) tot staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking. Na enkele maanden kwam echter al een einde aan hun mandaat in het kader van de herschikking van het kabinet.
In de tweede helft van de jaren 60 geraakten steeds meer feministes gedesillusioneerd over het politieke toneel. Vanaf 1970 kwam een tweede feministische golf op gang die de traditionele vrouwenorganisaties en de deelname aan de politiek verwierp - vrouwen moesten zich toch altijd maar aanpassen aan de door mannen ontworpen politieke regels. De ludieke openbare acties van de Dolle Mina's in Vlaanderen en Brussel en van Marie Mineur in Wallonië richtten zich vooral op discriminaties inzake arbeid en seksualiteit. Ze doorbraken taboes met slogans als 'baas in eigen buik' en bezorgden de feministisch beweging heel wat mediabelangstelling. Daarnaast werden in verschillende Vlaamse steden Pluralistische Actiegroepen voor Gelijke Rechten voor man en vrouw opgericht. In Brussel streed het Front de libération des femmes tegen 'het patriarchaat en de politiek als mannelijk bastion bij uitstek'. Uit een studiedriedaagse die rond Pasen 1972 door enkele feministen georganiseerd werd, ontstond het Vrouwen Overleg Komitee dat vooruitstrevende vrouwen uit Vlaanderen bundelde. Maar ook de verzuilde en 'neutrale' vrouwenorganisaties kenden succes in de jaren 70. De Nationale Vrouwenraad die verjongd werd, splitste zich in 1972 in een Nederlands- en Franstalige afdeling die uiteindelijk uitmondden in de Nederlandstalige Vrouwenraad (1973) en de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (1974). Tevens werden vrouwenhuizen en specifieke studie- en documentatiecentra opgericht, onder meer RoSa in 1978.
Onder invloed van het maatschappijkritische klimaat van begin jaren 70 heroriënteerden de feministen zich terug naar de politiek. Op 19 maart 1972 werd de Verenigde Feministische Partij (VFP) opgericht. Bij de verkiezingen in 1974 diende ze in verschillende kiesarrondissementen kieslijsten in en voerde de Nationale Vrouwenraad samen met het Vrouwen Overleg Komitee een Stem-Vrouwactie. Ook de traditionele politieke partijen konden in dit gewijzigd klimaat niet achterblijven en leverden grote inspanningen om meer vrouwen op verkiesbare plaatsen op hun lijsten op te nemen. Politicae reageerden niet eensgezind op de VFP: sommige vreesden dat de partij slechts agressieve acties van mannen zou uitlokken waardoor de positie van de vrouwen in de andere partijen bemoeilijkt zou worden, terwijl anderen wezen op het positieve effect van de VFP, namelijk een duidelijke waarschuwing voor een vrouwvriendelijker opstelling van de partijen. In 1974 verdubbelde het aantal vrouwelijke parlementsleden (veertien in de Kamer en twaalf in de Senaat, de VFP behaalde geen zetel), maar bleef met 6,6 % nog altijd onder de 10 %. Men trachtte de politieke situatie te analyseren en zocht naar de oorzaken van de politieke achterstand van de vrouwen. Radicale feministen spraken zich meer en meer uit tegen de specifieke vrouwelijke inbreng waarrond decennialang een consensus bestaan had. Vrouwen moesten niet langer optreden voor vrouwen en moeders, maar voor iedereen, zowel mannen als vrouwen. Ook de vrouwenorganisaties werden beïnvloed door dit veranderde denkpatroon. In Vlaamse christen-democratische kringen leidde dit in 1974 tot de oprichting van Vrouw en Maatschappij, dat binnen de partij een vrouwelijke stem wil laten horen en de vooroordelen ten opzichte van vrouwen tracht weg te werken.
1975-1998
De opmars van de vrouwen in de politiek leek vanaf het midden van de jaren 70 concrete vormen aan te nemen. Vanaf de jaren 80 werd de nog steeds bestaande politieke ondervertegenwoordiging van vrouwen meerdere malen aangekaart. Op beleidsniveau werd een en ander in beweging gebracht. In 1975 werd een Commissie Vrouwenarbeid in het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid opgericht (een vervolg van de in 1937 opgezette commissie die met de oorlog verdwenen was) en kwam een Consultatieve Commissie voor de Status van de Vrouw bij het ministerie van Buitenlandse Zaken tot stand (deze werd in 1985 opgeheven). Van 1985 tot 1992 bestond een staatssecretariaat voor Maatschappelijke Emancipatie en Leefmilieu. In 1992 werd de bevoegdheid Gelijke Kansen aan het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid gekoppeld. De Raad voor Gelijke Kansen zet sinds 1993 het werk van de in 1986 binnen het staatssecretariaat opgerichte Commissie Vrouwenarbeid en Emancipatieraad voort. Ook in de beide kamers werden vaste commissies voor de gelijke kansen van beide seksen opgericht, namelijk het Adviescomité voor Maatschappelijke Emancipatie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (17 maart 1988) en het Adviescomité voor Gelijke Kansen van mannen en vrouwen in de Senaat (23 november 1995). In het Europees Parlement, waarvoor sinds 1979 verkiezingen gehouden worden, kwam eveneens een commissie voor de rechten van de vrouw tot stand. In 1984 werd deze ad-hoccommissie omgevormd tot een permanente commissie.
Sinds 1995 is er ook een Vlaams minister van Gelijkekansenbeleid. Anne Van Asbroeck, die dit mandaat als eerste bekleedde, werd in 1997 opgevolgd door Brigitte Grouwels. Op federaal niveau is Miet Smet al twaalf jaar, eerst als staatssecretaris van Maatschappelijke Emancipatie (1985-1992), nadien als minister van Gelijkekansenbeleid (1992-) de stuwende kracht. In 1995 werd onder haar impuls de vzw Amazone, een nationaal trefcentrum voor de Belgische vrouwenbeweging, opgericht om initiatieven ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te ondersteunen. Amazone wil steun bieden aan vrouwenorganisaties, onder andere door onderdak te bieden aan koepelorganisaties en door informatie en documentatie over vrouwen ter beschikking stellen. Zo vond de Bibliothèque Léonie Lafontaine er onderdak, beschikt RoSa er over een steunpunt en werd het Archiefcentrum voor Vrouwengeschiedenis er gevestigd.
Aangezien de invoering van het vrouwenstemrecht niet 'spontaan' tot een politieke gelijkheid van mannen en vrouwen leidde, gingen er vanaf de jaren 80 stemmen op om die gelijkheid op een of andere manier te forceren. Na een jarenlang debat kwam in 1994 uiteindelijk de wet Smet-Tobback tot stand (24 mei 1994). Deze wet voorziet een quotum van 33% op alle verkiezingsniveaus (van de gemeenteraads- tot de Europese verkiezingen). Op de kieslijsten mogen dus niet meer dan twee derde van de kandidaten tot hetzelfde geslacht behoren. Maar aangezien de wet niet bepaalt op welke plaatsen de partijen vrouwen moeten plaatsen, komen er naar verhouding niet zoveel meer in de politiek. De verkiezingen van 21 mei 1995, waarbij als overgangsregeling een quotum van 25 % gold, brachten vijfendertig vrouwen in het Parlement (achttien in de Kamer en zeventien in de Senaat), waarmee 'toch' een percentage van 15,8 % werd bereikt, het hoogste percentage tot dusver. Het quotum van 33 % zal voor het eerst toegepast worden bij de volgende parlementsverkiezingen in 1999.
Bibliografie
BAETENS, T. en MOORS, H., Toujours un peu l'ami de la femme: liberalisme, socialisme en vrouwenemancipatie in België 1830-1948, Utrecht, 1990.
BOËL, P. en DUCHENE, C., Le féminisme en Belgique 1892-1914, Brussel, 1955.
BOEYKENS, Lili, Emancipatie van de vrouw als beweging en als feministische golf, in Man, vrouw, mens. Fysiek, psychisch en cultureel mens zijn als man en vrouw, [ed. H. Cammaer en Lili Boeykens], Leuven, 1993, p. 75-95.
BONNEURE, Kristien., e.a., Markante vrouwen, Brussel, 1997.
BUYLE, A.M., De vrouw in de zichtbare politiek, in De nieuwe maand, 24, 1981, p. 596-601.
CHRISTENS, R., Verkend verleden. Een kritisch overzicht van de vrouwengeschiedenis 19de-20ste eeuw in België, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 27, 1997, p. 5-37.
COURTOIS, L., PIROTTE, J., ROSART, F., Femmes et pouvoirs. Flux et reflux de l'émancipation féminine depuis un siècle, Louvain-la-Neuve, Brussel, 1992.
COURTOIS, L., PIROTTE, J., ROSART, F., Femmes des années '80: un siècle de condition féminine en Belgique, 1889-1989, Louvain-la-Neuve, 1989.
De METSENAERE, Machteld., HUYSSEUNE, M., SCHEYS, Micheline, Gewapend met het gewicht van het verleden: enige resultaten van vrouwengeschiedenis in België, in Geschiedenis van de vrouw. Twintigste eeuw, [ed. G. Duby en M. Perrot], Amsterdam, 1993, p. 523-556.
De MULDER, B., OLLIVIER, H., VERBEKE, M., Wat zoudt ge zonder 't vrouwvolk zijn? Een analyse van de positie van vrouwen in de gemeentepolitiek, Antwerpen, 1988.
De WEERDT, Denise, En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België, 1830-1960, Gent, 1980.
De WEERDT, Denise, De vrouwen van de Eerste Wereldoorlog, Gent, 1993.
De WIN, Linda, De afwezige vrouw. De positie van de vrouw in de Belgische politiek, Antwerpen, 1994.
Een verhaal over vrouwen 1830-1950: 120 jaar en meer geschiedenis van de vrouw in België, Gent, 1981.
Een vrouw, een stem. De deelname van de Belgische vrouwen aan het politieke leven sinds 1789, [uitgave van het Archiefcentrum voor Vrouwengeschiedenis i.s.m. de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers], Brussel, 1998.
Een Vrouw, een Stem. Een tentoonstelling over vrouw en stemrecht in België 1789-1948, Brussel, 1996.
FLOUR, Els, JACQUES, Cathérine, Bronnen voor de geschiedenis van de vrouwenbeweging in België - Sources pour l'histoire du féminisme en Belgique. Repertorium van Archieven - Répertoire d'Archives. 1830-1993, [ed. Leen Van Molle en Eliane Gubin], Brussel, 1993.
FLOUR, Els, JACQUES, Cathérine, MARISSAL, C., Bronnen voor de vrouwengeschiedenis in België - Répertoire des sources pour l'histoire des femmes en Belgique, I: Répertoire de la presse féminine et féministe en Belgique 1830-1994; II: Repertorium van de feministische en de vrouwenpers, [ed. Leen Van Molle en Eliane Gubin], Brussel, 1994.
GESQUIERE, I., JACQUES, Cathérine, MARISSAL, C., Tien vrouwen in de politiek. De gemeenteraadsverkiezingen van 1921, Brussel, 1994.
GUBIN, Eliane, Bespiegelingen over sekse en oorlog in België 1914-1918, in Sekse en Oorlog. Jaarboek voor vrouwengeschiedenis, 15, Amsterdam, 1995, p. 33-48.
GUBIN, Eliane, Genre et citoyenneté en Belgique (1885-1921), in La politique des droits. Citoyenneté et construction des genres aux 19e et 20e siècles, [ed. H.-U. Jost, M. Pavilon en F. Valotton], Parijs, 1994, p. 53-71.
HOOGHE, Marc, De vrouwenbeweging. De lange mars door de instellingen, in Van mei '68 tot hand in hand: nieuwe sociale bewegingen in België 1965-1985, [ed. S. Hellemans en M. Hooghe] Leuven, 1995, p. 89-107.
HOOGHE, Marc, Het ondergrondse feminisme. De Vlaamse vrouwenbeweging 1972-1992, in De nieuwe maand, 35, 1992.
KESTELOOT, C., MARES, A., MARISSAL, Cathérine, Databestand van de Belgische gemeenteraadsverkiezingen 1890-1970, Brussel, 1994.
KEYMOLEN, Denise, CASTERMANS, G., SMET, M., De geschiedenis geweld aangedaan. De strijd voor het vrouwenstemrecht 1886-1948, Antwerpen, Amsterdam, 1981.
KEYMOLEN, Denise, COENEN, M.-T, Stap voor stap. Geschiedenis van de vrouwenemancipatie in België, Brussel, 1991.
KNIEBIEHLER, Y., GUBIN, E., Les femmes et la ville. En enjeu pour l'Europe, Brussel, 1993.
MARTENS, L., De historiek van de vrouwenemancipatie in België, [Ipovo, Politiek engagement ook voor vrouwen, II], Brussel.
MARTENS, L., De lange weg naar de politieke deelname van de vrouw, [Ipovo, Politiek engagement ook voor vrouwen, III], Brussel.
MENDES DA COSTA, Y., MORELLI, Anne, Femmes, libertés, laïcité, [Actualité, 8], Brussel, 1989.
PEEMANS-POULLET, H., Femmes en Belgique (XIXe-XXe siècles), Brussel, 1991.
POLASKY, J, Le rôle des femmes dans les révolutions de Liège et du Brabant, in Encyclopédie politique et historique des femmes, [ed. C. Fauré], Parijs, 1997.
Sextant. Revue du Groupe Interdisciplinaire d'Etudes sur les Femmes, 1, 1993.
VAN HAEGENDOREN, Mieke, VAN HERCK, Rina, VAN NULAND, Mieke, Vrouwen en politiek. Profiel van de kandidaten bij de verkiezingen van 24 november 1991, Brussel, 1993.
VAN MECHELEN, Renee, De meerderheid, een minderheid. De vrouwenbeweging in Vlaanderen: feiten, herinneringen en bedenkingen omtrent de tweede golf, Leuven, 1996.
VAN MECHELEN, Renee. Uit eigen beweging. Balans van de vrouwenbeweging in Vlaanderen 1970-1978, Leuven, 1979.
VAN MOLLE, Leen, GUBIN, Eliane, CHRISTENS, R., e.a., Vrouw en politiek in België, Tielt, 1998.
VERBEKE, M., Vrouwen en gemeentepolitiek. Een situatieschets, gevolgd door tien gesprekken met vrouwelijke schepenen van onderwijs, Gent, 1982.
WITTE, Els, Tussen experiment en correctief. De Belgische gemeentelijke kieswetgeving in relatie tot het nationale kiesstelsel, in De gemeenteraadsverkiezingen en hun impact op de Belgische politiek (1890-1970), Gemeentekrediet, Historische Uitgaven, reeks 8, nr. 87, Brussel, 1994, p. 13-72.
Nog meer weten over vrouwenarbeid?
Neem een duik in de rijke collectie van RoSa en doorzoek onze databank.


