home > dossierpagina's > vrouwen van lichte zeden

De vrouw van lichte zeden in Brussel.
Van Middeleeuwen tot heden

Rebecca Müller

1. Over waterputten en badstoven: de Middeleeuwen (1200- 15 de eeuw)

Voor de opkomst van de steden leefde men in nederzettingen op het land van een leenheer. Hij zorgde voor gemeenschappelijke voorzieningen zoals waterputten. De vrouwen kwamen bij deze waterputten bijeen om over hun minnaars te praten en spoedig verzamelden zich ook prostituees op deze plekken. Het Franse woord voor hoer, putain, zou afgeleid zijn van deze waterputten of puits. In die tijd leidden de meisjes van plezier een nomadisch leven en trokken ze door het land samen met bendes vagebonden, artiesten en rovers.

De steden die rond 1200 tot stand kwamen creëerden een nieuwe leef- en arbeidsplaats voor de prostituees. De opkomende handel ging gepaard met een rijk sociaal leven en er was dus vraag naar het vermaak dat hoeren en kermisklanten boden. De bloeiende internationale marktsteden van de Zuidelijke Nederlanden waren een ideaal werkterrein voor vrouwen van lichte zeden. Met hun havens en industriecentra trokken die steden immers een massa werkzoekenden aan die een potentieel cliënteel vormde. Ook de ambachtsgilden leverden een nieuwe afzetmarkt voor de diensten van de dames van plezier: de strenge gildenreglementen hielden de bestaansmogelijkheden van jonge ambachtslui kunstmatig beperkt en daardoor beschikten deze vrijgezellen pas heel laat over voldoende inkomsten om te huwen. Zij vormden dan ook de meerderheid van de klanten van de Middeleeuwse prostituee, maar ook edelen, geestelijken en gehuwde mannen bezochten het bordeel.

De meeste Middeleeuwse kerkelijke denkers zoals Augustinus en Thomas van Aquino beschouwden prostitutie als een noodzakelijk kwaad. De kerk liet prostitutie oogluikend toe om ergere kwalen zoals verkrachting en overspel te verhinderen. De stedelijke overheid bracht dit standpunt in de praktijk en trachtte de prostitutie te regelen door er één of meer publiek erkende bordelen op na te houden, de vrouwenhuizen. Voor het beheer hiervan stelde de stad een ambtenaar aan, de roi des ribauds. Deze roi des ribauds leverde toelatingen af voor het openhouden van bordelen en was er in sommige gevallen zelf de uitbater van. Verder beheerde hij de administratie en de boekhouding van de vrouwenhuizen. De prostituees in de vrouwenhuizen waren verplicht zich aan bepaalde regels te houden: ze moesten bijvoorbeeld iedere dag een bepaalde hoeveelheid wol spinnen en de huizen mochten niet opengesteld worden op christelijke feestdagen. De Brusselse stadsbeul woonde in de omgeving van de prostituees en liet zich door hen onderhouden. In 1459 wou men plots een einde maken aan deze gewoonte en ontnam men de beul het recht op de inkomsten van de lichtekooien. Dit verlies werd goedgemaakt door een loonsverhoging.

Naast de officiële bordelen kwam prostitutie ook voor in badstoven. De Brusselse badstoven waren internationaal bekend en bevonden zich in de nu nog bestaande Stoofstraat in de buurt van de Grote Markt. Maar ook elders in de stad vond men dergelijke oorden van ontucht. De Franse dichter Eustache Deschamps (+ 1406/07) bezong de Brusselse badstoven als volgt :

Adieu Bruxelles où les bains sont jolys
Les étuves, les fillettes plaisantes
Adieu beauté, liesse en tous délits
Belle chambres, vin du Rhin, mols lits,
Connins, plouviers et capons et fesans,
Compagnie douce et courtoises gens.

Raamprostitutie bestond ook al in deze periode, aangezien sommige prostituees een huisje huurden en post vatten voor het raam of de deur. Anderen tippelden op straten en pleinen en tenslotte waren er nog de slop- of veldhoeren die in open lucht, op straat of in het veld hun transacties doorvoerden.

De meeste steden gedoogden de prostitutie en probeerden deze te concentreren in bepaalde wijken, liefst buiten het stadscentrum, ver van de burgerlijke straten. Nachtelijke prostitutie-activiteiten waren verboden. Zolang de prostituee zich aan de regels hield werd ze geduld. Pas wanneer ze opviel door ongeregeld gedrag en er klachten kwamen van burgers, trad de overheid op. In 1423 bijvoorbeeld, deden verschillende inwoners van Brussel hun beklag bij de overheid omdat prostituees opereerden buiten de grenzen van de voor hen voorziene wijk. De prostituees en de bordeeleigenaars werden vervolgens verplicht zich uit deze burgerlijke omgeving te verwijderen en zich binnen veertien nachten en dagen elders te vestigen, op straffe van een gulden kroon van Frankrijk.

Naast de verbanning naar specifieke wijken werden de prostituees ook onderworpen aan kledingvoorschriften. Om vrouwen van lichte zeden te kunnen onderscheiden van eerbare vrouwen moesten ze een speciaal herkenningsteken dragen. In Namen bijvoorbeeld moesten de prostituees een groen stuk stof dragen op de rechtermouw van hun kleed. Het herkenningsteken in Gent was dan weer een rode band. Bovendien mochten ze geen luxekleren dragen. Dure stoffen zoals damast en fluweel waren verboden. De meeste prostituees leefden in armoede. Door de kwijnende lakenindustrie van de late Middeleeuwen was het overaanbod van vrouwelijke werkkrachten zo groot dat de spinsters en kamsters het met een zeer karig loon moesten stellen. Die omstandigheden dreven heel wat vrouwen de prostitutie in. Een prostituee had haast geen rechten: ze kon voor een kerkelijke rechtbank bijvoorbeeld geen beschuldiging uitbrengen en mocht zich niet eens persoonlijk verdedigen. Hiervoor moest ze een woordvoerder gebruiken, zoals dat toen ook voor waanzinnigen gebruikelijk was. Ook het wereldlijk recht bood de prostituee nauwelijks bescherming, hetgeen treffend wordt geïllustreerd door een uitspraak van een gerechtsofficier uit Bergen in 1389, die beweerde dat prostituees gewoon buiten de wet stonden. Verkrachting werd in het Brabants recht als een bijzonder zwaar misdrijf beschouwd, maar wie lichtekooien in een bordeel geweld aandeed ging vrijuit. De straffen die de opgepakte prostituees kregen waren tamelijk mild. Meestal werden ze alleen maar uit de stad verbannen, maar zodra de dames via de ene stadspoort waren buitengezet glipten ze via een andere weer naar binnen. Soms kregen ze ook een bedevaart opgelegd om te boeten voor hun ‘ontucht’. De overheid probeerde vooral de pooiers aan te pakken. In theorie golden voor hen hardere straffen, maar in de praktijk kregen ook zij niet meer dan een verbanning opgelegd. Meestal kwam men zelfs gewoon tot een minnelijke, dus geldelijke schikking.

In de Middeleeuwen heerste er dus een relatieve tolerantie ten aanzien van de prostituee en werd de minnehandel zelfs door de overheid geïnstitutionaliseerd. Haar aanwezigheid werd gedoogd en ze werd met rust gelaten zolang ze haar activiteiten maar beperkte tot bepaalde wijken, zich hield aan de kledingvoorschriften en de openbare orde niet verstoorde. Vanaf de 16 de eeuw maakt deze tolerante houding plaats voor stigmatisering en actieve repressie.

2. Een zaak van schande en schavot: de Nieuwe Tijden (16 de-18 de eeuw)

De 16 de-eeuwse repressieve houding tegenover prostitutie hangt samen met de verburgerlijking en de daarmee gepaard gaande verpreutsing van de maatschappij. Deze verandering werd voor een belangrijk deel beïnvloed door de Reformatie en Contrareformatie. Ondanks haar anti-seksuele en repressieve doctrines had de Middeleeuwse katholieke kerk een pragmatische houding aangenomen ten aanzien van prostitutie. De bordelen vervulden als het ware een sociale functie: ze boden bescherming aan de eerbare vrouwen en aan het huwelijk. Die lakse morele houding was voor de hervormingsbewegingen van de 16 de eeuw onaanvaardbaar. In navolging van het misprijzen van de protestanten voor prostitutie en ontucht ging ook de katholieke kerk een strengere houding aannemen ten aanzien van voorhuwelijkse betrekkingen, overspel en prostitutie. Seksualiteit moest gericht zijn op voortplanting, niet op genot en werd enkel aanvaard binnen het huwelijk. Elk afwijkend seksueel gedrag werd gecriminaliseerd. Ook de wereldlijke overheid begon prostitutie als een misdaad te beschouwen en prostituees werden gestraft met lijfstraffen en opsluiting. Bovendien werd Europa vanaf het begin van de 16 de eeuw geteisterd door een syfilisepidemie. De angst voor deze seksueel overdraagbare ziekte maakte seks op zich problematisch en werkte een groeiende afkeer van prostitutie in de hand.

Op het einde van de 16 de eeuw was het aantal bordelen in Brussel sterk toegenomen en werden er verschillende ordonnanties uitgevaardigd om de overlast in te dijken. Opnieuw mochten prostituees slechts in voorgeschreven buurten hun activiteiten uitoefenen, zoals in de Zwaard- en Waaierstraat. Deze twee straten geven uit op de Hoogstraat, in die periode een burgerlijke straat, en dus verboden terrein voor de dames van plezier. In 1597 vertoonden de lichtekooien zich er echter dagelijks, tot ergernis van ‘alle lieden van eer’. De overheid nam drastische maatregelen. De Zwaard- en Waaierstraat werden aan de kant van de Hoogstraat afgesloten en voortaan was het de prostituees uitdrukkelijk verboden zich nog in de Hoogstraat te vertonen. Op de overtreding van dit verbod stonden strenge straffen: een eerste overtreding werd bestraft met drie dagen en nachten opsluiting op water en brood, een tweede met tentoonstelling op het schavot en een derde met geseling en verbanning uit de stad. De maatregelen om prostituees uit deze buurt te verdrijven leverden echter geen duurzaam resultaat op, aangezien er op een lijst van bordelen uit 1646 in de Hoogstraat nog altijd 14 ‘verdachte huizen’ worden vermeld.

In de 18 de eeuw bleef de prostitutie een belangrijke kopzorg voor de Brusselse overheid. Als bruisende hoofdstad trok Brussel heel wat vreemdelingen aan en bovendien was het een garnizoenstad. Soldaten vormden uiteraard een ideaal cliënteel voor de prostituees. Die prostituees waren in veel gevallen vrouwen die van het platteland afkomstig waren en naar Brussel trokken in de hoop op een beter bestaan. Ze wilden de armoede van hun geboortestreek ontvluchten en kwamen naar de hoofdstad met de ambitie om een ‘eerlijke’ baan te vinden. Maar daar waren ze niet veel beter af aangezien de Brusselse lakennijverheid in de loop van de 18 de eeuw sterk achteruit ging. Hierdoor nam de reeds bestaande vrouwenwerkeloosheid nog toe en heel wat werkloze en onderbetaalde vrouwen zochten hun toevlucht in de prostitutie. Veel vrouwen tippelden om hun karig loon aan te vullen. Sommige vrouwen leefden hoofdzakelijk van prostitutie, maar verdienden toch nog bij als kantwerkster of spinster.

In 1732 wou de Brusselse overheid drastische maatregelen nemen tegen prostitutie. Er werd voorgesteld om de opgepakte prostituees op de Grote Markt aan het publiek tentoon te stellen in een draaiende kooi. De landvoogdes Maria Elisabeth verwierp deze straf echter omwille van de wanordelijkheden die een dergelijk schouwspel veroorzaakten. Door het gedraai in de kooi werden de vrouwen misselijk. Bovendien konden ze na afloop van de straf omwille van hun duizeligheid niet meer lopen en vielen neer op straat. Dit trok een massa gepeupel en gapers aan en zorgde voor heel wat schandaal. Er werd daarom geopteerd voor een aanvaardbaar alternatief: prostituees werden in het openbaar op het schavot tentoongesteld met een ijzeren halsband en een gedetailleerde beschrijving van hun misdaad. Nadien werden ze uit de stad verbannen. Prostituees kregen dus dezelfde straf als vagebonden en rovers, die ook tot schavot en verbanning werden veroordeeld. Prostituees van goede afkomst werden nog steeds opgesloten in een soort kloostergevangenis, de Cruyscapelle, zodat hen de schande van een publieke schavottering bespaard bleef. In naam van het respect voor de openbare orde en het zielenheil begonnen de staat, de stedelijke overheid en de geestelijkheid nu samen te werken om de repressie van de prostitutie te verzekeren.

Die repressie leidde niet altijd tot de gewenste resultaten. Veel prostituees keerden na hun eerste verbanning uit Brussel gewoon terug en namen hun oude leventje weer op. Om die reden legde Karel van Lorreinen in 1778 strengere straffen op aan prostituees die hervielen. Voortaan moesten díe dames van plezier, die na hun verbanning de stad toch niet verlieten, gevangen gezet worden in de Anderlechtse poort. Die opsluiting, op een regime van water en brood, moest 15 dagen tot drie weken duren. Nadien werden ze uitgewezen behalve als ze konden bewijzen dat ze de prostitutie niet nodig hadden om in hun levensonderhoud te voorzien.

Ondanks die strenge maatregelen bleef in het toenmalige Brussel de prostitutie bloeien. In 1781 regende het klachten bij de Brusselse stadsmagistraat over uitspattingen van prostituees in de wijk van de Finistèrekerk. Twee jaar later deden heel wat burgers hun beklag over diefstallen door prostituees in de Bloemenstraat. In 1785, in een brief gericht aan de stadsmagistraat, beschrijft een geshockeerde vreemdeling op doorreis de omvang van de ontucht in Brussel. Naar zijn mening nam de Brusselse prostitutie grotere afmetingen aan dan die in andere wereldsteden zoals Londen, Amsterdam of Parijs. Hij vond het onder meer schandalig dat men in Brussel, op het middaguur en in de drukst bezochte wijken, aangeklampt werd door prostituees op zoek naar een klant.

De prostituees van de Nieuwe Tijden kan men met wat goede wil indelen in drie categorieën. Vooreerst waren er de courtisanes of maîtresses, die zelfstandig werkten. Zij vormden echter een minderheid. Een groot aantal prostituees woonde in een bordeel of ging 's avonds naar ‘herbergen’ om klanten te ronselen. In de meeste bordelen was de prostituee via schulden gebonden aan de uitbater. Ze moest de dure kleren en de opsmuk waarin ze werkte terugbetalen en stond dus een groot deel van haar verdienste af. De pooiers waren hoofdzakelijk mannen, maar ook vrouwen verdienden goed aan de prostitutie van anderen. Vaak ging het om voormalige prostituees die samen met een man of een vriend een bordeel uitbaatten. Oudere prostituees traden in veel gevallen op als koppelaarsters. Ze bemiddelden tussen de hoer en de klant of besteedden meisjes uit aan bordelen die erom vroegen. Tenslotte waren er ook nog de tippelaarsters. Zij waren over het algemeen al wat ouder en hadden een lage verdienste. Vaak ging het om arme vrouwen die hun klein loon als naaister of kantwerkster wilden aanvullen. De tippelaarsters namen hun klanten mee naar een huurkamer, een ‘hobette’ genoemd. Dergelijke kamertjes werden door sluwe huisjesmelkers speciaal voor prostitutiedoeleinden gebouwd en verhuurd.

3. Van reglementarisme tot abolitionisme: de 19 de eeuw

Vanaf het begin van de 19 de eeuw probeerde de overheid door regulering een totaal afgesloten prostitutiemilieu te creëren dat onzichtbaar moest zijn voor de deugdelijke burger, maar volledig overzichtelijk en transparant voor de overheid zelf. Het idee van een gereglementeerde prostitutie kwam reeds voor in Le pornographe ou les idées d'un honnête homme uit 1769 van de Franse auteur Restif de la Bretonne (1734-1806). In diens utopie speelt de prostitutie zich af in het ‘partheion’, een paleis gewijd aan de betaalde liefde, volledig afgesloten van de wereld. Deze paleizen zouden door de overheid gecontroleerd worden en de prostituees werden er ingedeeld in verschillende klassen. Het systeem van Restif was dus gebaseerd op drie pijlers: het gesloten milieu, de indeling in hiërarchische klassen en de administratieve controle. In de 19 de eeuw werd nog een vierde pijler aan dit systeem toegevoegd, namelijk het medisch toezicht. Dit aspect van het reglementarisme werd vooral gepromoot door de Franse arts Parent-Duchâtelet die in 1836 een medisch-sociale studie uitgaf over de Parijse prostitutie. Hij pleitte voor registratie en voor een wetenschappelijke samenwerking tussen artsen en zedenpolitie.

Het reglementarisme werd in België ingevoerd onder het Frans bewind. Vanaf 1814 was een gemeentelijke geneesheer belast met het onderzoek van de prostituees. Onder het Hollandse regime verstrengde de controle en nam men maatregelen in verband met het sanitair toezicht. In 1818 richtte men in het Brusselse Sint-Pietershospitaal een aparte zaal in voor prostituees besmet met venerische ziekten. Het reglementarisme werd in België in 1836 in de gemeentewet ingeschreven en bleef van kracht tot in 1948. In 1844 stelde men te Brussel een nieuw reglement op dat door de andere Belgische steden werd overgenomen. Via dit reglementarisme kwam men dus tot een netwerk van getolereerde bordelen waar prostituees leefden en werkten.

Het Brusselse reglement beschrijft nauwkeurig twee categorieën meisjes en openbare erkende prostitutie-instellingen. Enerzijds waren er de vast werkende prostituees of filles de maison. Zij werkten en woonden in een bordeel met licentie of maison de tolérance. Anderzijds waren er de losse prostituees of filles éparses. Dit waren straatprostituees die thuis werkten of voor het uitoefenen van hun beroep kamers huurden in een maison de passe. De prostituees moesten zich inschrijven in het register dat door de politie werd bijgehouden en ze moesten al hun papieren - paspoort, geboortebewijs en dergelijke - afgeven op het politiekantoor. In ruil daarvoor kregen ze een prostitutieboekje. Hierin werden nauwkeurig alle gegevens over de prostituee in kwestie genoteerd en elk blad werd door de politiecommissaris geparafeerd. Ook de data van de medische onderzoeken en de gezondheidstoestand werden in dit boekje bijgehouden. Aangezien de prostituees beschouwd werden als verspreiders van venerische ziekten moesten ze zich twee maal per week onderwerpen aan een verplicht medisch onderzoek. Dit gebeurde in het dispensarium, gelegen in de Sint-Laurensstraat te Brussel, door speciaal hiervoor aangestelde geneesheren.

De losse prostituees moesten de kosten van het medisch onderzoek zelf betalen, maar kregen bij punctueel voldoen aan de verplichting hun geld terug. Het onderzoek van de vast werkende meisjes in de erkende bordelen gebeurde op kosten van de bordeeluitbater. Deze betaalde immers een vaste belastingssom aan de stad waarmee onder andere de medische kosten werden gedekt. De stad deelde de bordelen in verschillende klassen, elk met een eigen belastingssom en prijzenschaal. Er waren etablissementen van eerste, tweede en derde klasse. De bordelen van eerste klasse waren duur en luxueus en voorbehouden aan cliënteel uit de hogere sociale klassen. De meisjes van dergelijke huizen waren vrijgesteld van het bezoek aan het dispensarium, de geneesheer kwam immers aan huis. De hiërarchische indeling van de bordelen was vooral bedoeld om vermenging van de sociale klassen te vermijden.

De prostituee was dus gevangen in een gesloten systeem. Een systeem van repressie, preventie en paternalistische bescherming waarin overheidsambtenaren, politieagenten en geneesheren bepaalden hoe ze moest leven en werken. Als vrouw werd ze omringd door mannen en mannelijke instellingen die haar beoordeelden, controleerden en misbruikten. Het reglementarisme maakte het voor de prostituee haast onmogelijk om uit dit milieu te stappen en zich opnieuw sociaal te integreren in de ‘gewone’ maatschappij. Eens ingeschreven in het register van de politie was het voor de prostituee vaak onmogelijk om er ‘op verzoek’ uit geschrapt te worden en om haar papieren terug te krijgen. De meeste schrappingen kwamen er ‘door verandering van domicilie’. Hetgeen betekende dat de prostituee gewoon uit de stad verdween en elders haar beroep ging uitoefenen.

Het streven om de niet-controleerbare prostitutie te bestrijden via dit systeem van hyperreglementarisme had echter een omgekeerd effect. De overvloed aan regels leidde er juist toe dat meer mensen probeerden deze te omzeilen en dus bloeide de clandestiene prostitutie. Die clandestiene prostitutie vond een ideale voedingsbodem in de nieuwe vormen van amusementsconsumptie die vanaf 1830 waren ontstaan. Het café concert bijvoorbeeld was een zeer geschikte locatie om te tippelen. In zo'n café concert had men uiteraard het podium - waar het spektakel doorging - en verder de boxen en de galerijen op de verdieping. Op het gelijkvloers, voor het podium, stonden tafeltjes en daartussen bevond zich een wandelruimte. Die wandelgangen groeiden uit tot pleisterplaatsen voor de dames van plezier, die tussen het aanwezige publiek hun klanten trachtten te ronselen. Berucht was bijvoorbeeld de wandelgalerij in het Casino St. Hubert, gelegen in de Sint-Hubertusgalerij. Dit casino bestaat nu niet meer, maar in de boekhandel Tropismes in de Galerie des Princes nr. 11 is er nog een overblijfsel te vinden van het voormalige Concert des Princes. Deze ruimte met spiegels, zuilen en weelderige decoratie evoceert nog een beetje de sfeer van dergelijke etablissementen. De Sint-Hubertuspassage werd ook bezocht door tippelaarsters. De pseudo-sigarenwinkeltjes bloeiden in deze omgeving, hoewel vergunde bedrijven met alle geweld uit de Sint-Hubertusgalerij werden geweerd. Deze winkeltjes hadden wel sigaren en rookgerei in het uitstalraam, maar in de boudoirs achteraan werden heel wat andere diensten verkocht. Verder waren er ook restaurants die achteraan beschikten over separés, waar klant en prostituee zich discreet konden terugtrekken.

Al deze adressen worden vermeld in het merkwaardige boekje Bruxelles la nuit. Physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles. Dit repertorium van clandestiene prostitutieplaatsen werd in 1868 uitgegeven door Jean-Marie Bizonnet, alias Mario Aris. De auteur had ‘moralistische’ bedoelingen met zijn boekje: hij wou huisvaders en vreemdelingen waarschuwen, zodat ze niet per ongeluk een café zouden betreden dat zich bij nader inzien ontpopte tot een bordeel. In feite is zijn uitgave niets anders dan een toeristische gids voor de oorden van ontucht te Brussel. Het boekje kende een groot succes aangezien het reeds in 1871 werd heruitgegeven.

Buurten die reeds in de 17 de en 18 de eeuw als centra van prostitutie bekend stonden, zoals de Vanderelststraat en de Zilverstraat bloeiden in de 19 de eeuw nog steeds. Hoewel de aanvragen voor officiële bordelen in de Zilverstraat vanaf 1844 systematisch werden geweigerd vermeldde Aris in 1868 toch twee zeer succesvolle clandestiene bordelen in deze straat. De Circusstraat, die evenwijdig loopt met de Vanderelsstraat, beschreef Aris als volgt:

(...) Incontestablement une des rues des plus mal famées de la ville.
Elle est aussi la plus lugubre et la plus triste. A dix heures du soir,
c'est affreux. On s'enfonce dans la boue jusqu'à mi jambe (...) cette
rue sombre, à peine éclairée des lueurs tremblottantes de quelques
becs de gaz (...) est habitée en majeure partie des femmes (...)
des drôlesses sans honte qui, la nuit venue, s'en vont un peu
partout raccrocher des passants (...)

De Sint-Laurensstraat was een belangrijk centrum voor luxeprostitutie. Tot 1850 was hier het meest luxueuze bordeel van Brussel gevestigd, namelijk dat van Anne-Marie Ricquois op nr. 14. Toen het nieuwe reglement van 1844 in voege trad, conformeerde deze bordeelhoudster zich onmiddellijk. Bovendien vroeg ze te worden vrijgesteld van de verplichting een rode lantaarn bij haar deur te zetten. Dit zou te stigmatiserend werken en zou de illusies vernielen die haar klanten zich maakten over hun bordeelbezoek. Ze vreesde ook dat de lantaarn volkse klanten uit naburige estaminets zou aantrekken en dat deze dronkaards voor te veel herrie zouden zorgen. In 1878 waren in deze straat vijf bordelen van eerste klasse gevestigd.

In de 19 de eeuw bestonden er reeds verenigingen die de prostituees wilden helpen. Die verenigingen wilden de vrouwen van lichte zeden uit het milieu halen en streefden ernaar de prostitutie uiteindelijk af te schaffen. Als reactie op het reglementarisme ontstond rond 1870 in Engelse evangelische middens de abolitionistische beweging. In 1875 werd een Fédération continentale et generale pour l'Abolition de la Prostitution opgericht.

Op het eerste internationale abolitionistische congres, dat in 1887 in Genève plaats had, werden de doelstellingen van de federatie verduidelijkt: men klaagde in de eerste plaats het arbitraire optreden van de zedenpolitie en het immorele karakter van de gedooghuizen aan. Die bordelen met licentie hadden volgens de abolitionisten een voortdurende nood aan nieuw vlees en dus droeg de overheid bij tot de creatie van netwerken voor mensenhandel. De abolitionistische ideeën werden in België gepromoot door de Société de Moralité Publique te Brussel. Deze vereniging werd in 1881 opgericht door de bekeerde protestant Emile de Laveleye (1822-1892). In 1883 telde de vereniging 250 leden, waaronder de latere ministers van de katholieke regering Le Jeune en Beernaerts. Progressieve liberalen, advocaten en geneesheren en later ook socialisten behoorden tot de leden. De vereniging gleed echter af naar een puriteinse strengheid en hield in 1908 op te bestaan.

In 1880 barstte in Brussel een schandaal los dat de mislukking van het hyperreglementarisme illustreerde en dat wind in de zeilen bracht van de abolitionistische beweging. In de rechtszaak van ‘de Engelse meisjes’ kwamen corruptie en zelfs actieve betrokkenheid van de Brusselse politieagenten bij vrouwenhandel aan het licht. De Brusselse politie had twee minderjarige Engelse meisjes, onder valse naam en met valse papieren, als meerderjarig ingeschreven in het register van de bordelen met licentie. De werden meisjes tegen hun wil vastgehouden en tot prostitutie gedwongen. De onthullingen van een journalist van Le National leidden tot de samenstelling van een speciale commissie die de zedenpolitie moest onderzoeken. De resultaten van het onderzoek brachten de Brusselse politie volledig in opspraak.

Burgemeester Felix Vandestraeten werd persoonlijk bij de zaak betrokken omdat hij de brouwerij van zijn vader had verkocht aan een bordeelhouder. Politiecommissarissen Lenaers en Schröder werden rechtstreeks beschuldigd van medeplichtigheid aan mensenhandel en werden afgezet. Schröder bijvoorbeeld hield een beschermende hand over een bordeel in de Sint-Laurensstraat nr. 22, waar een van de twee Engelse meisjes tegen haar wil gevangen was gehouden. Dit schandaal werd overvloedig becommentarieerd in de pers en diende als springplank voor de Belgisch abolitionistische beweging die de publieke opinie probeerde warm te maken voor de criminalisering van prostitutie.

4. Over emancipatie, feminisme en vrouwenhandel: de 20 ste eeuw

De houding van de vrouwenbeweging ten aanzien van prostitutie is altijd ambivalent geweest. Op het einde van de 19 de eeuw kwam het feministisch verzet tegen prostitutie op gang in Engelse burgerlijke middens. Enig eigenbelang was deze pioniersters niet vreemd: door de strenge, puriteinse seksuele moraal waaraan burgervrouwen moesten voldoen, kwam het meer dan eens voor dat hun echtgenoten hun seksuele behoeften elders gingen bevredigen. Concreet ageerden deze vrouwen vooral tegen de verplichte registratie: zoals reeds eerder gesteld zorgde deze registratie voor stigmatisering, waardoor de kans voor prostituees op een betrekking in een reguliere sector quasi onbestaande was. Het einddoel van de acties was de uitroeiing van prostitutie als maatschappelijk fenomeen: prostitutie ging immers altijd gepaard met dwang, van vrije keuze was volgens hen op geen enkel moment sprake. Jammer genoeg bekommerden de eerste golf feministes zich daarnaast weinig om de lotsverbetering van de prostituees: zij hadden als welgestelde burgerdames wellicht te weinig voeling met de dagelijkse besognes van op drift geslagen arbeidersmeisjes. En dat zij vooral aan symptoombestrijding deden en ondertussen de idealen van de Victoriaanse maatschappij hielpen verwezenlijken, kon hen blijkbaar weinig deren.

Aanvankelijk verschilde de houding van de tweede golf feministes uit de jaren zeventig ten aanzien van prostitutie nauwelijks van de posities van hun zusters uit vroeger tijden. Wel waren de uitgangspunten veranderd. De seksuele revolutie had vrouwen (en dus ook prostituees) een eigen seksualiteit bezorgd, geheel met lusten en verlangens. Een centrale stelling was dan ook dat vrouwen niet langer instrumenten mochten zijn ten dienste van de lustbevrediging van mannen. Op dat vlak scoorden prostituees natuurlijk heel slecht. Daarbij kwam nog dat de idee dat kiezen voor prostitutie eigenlijke een contradictie was, langzamerhand werd verlaten. De stigmata op prostituees waren verminderd wat maakte dat ex-hoeren in theorie best voor een ‘eerbare’ job konden opteren. In de tweede helft van de jaren zeventig kwam er onder invloed van voornamelijk Amerikaanse vrouwen verandering in de feministische attitudes ten aanzien van prostitutie. Zij stelden dat de betrekking van prostituee een job was als een andere en dat het gemoraliseer dringend moest ophouden. Deze nieuwe visie zorgde voor een opdeling in twee feministische kampen: een liberaal-pragmatische groep die stelde dat prostitutie van alle tijden was en die het zinloos vond om onder welke noemer dan ook tegen prostitutie ten strijde te trekken en een groep die het lot van de prostituee betreurenswaardig bleef vinden, maar die zich nu kon verzoenen met strategieën om de concrete leefwereld van prostituees te verbeteren, zoals het creëren van veilige, rechtvaardige en hygiënische werkomstandigheden.

Deze attitudeveranderingen zorgden ervoor dat de feministen het prostitutiestrijdperk langzaam begon te verlaten en plaats maakte voor de prostituees die nu zelf voor hun rechten opkwamen. Deze beweging manifesteerde zich in een aantal hoerencongressen. Aan het Brusselse hoerencongres, in oktober 1986, namen zo'n 120 prostituees uit 13 landen deel. Verschillende spreeksters beklemtoonden dat prostitutie pas uit de criminele sfeer zou geraken wanneer het officieel als beroep erkend zou worden. Daarnaast eisten de prostituees ook het recht op sociale zekerheid: de hypocriete mannenwereld weet hen wel te vinden voor het plezier en het innen van taksen, maar ontkent hun bestaan als het om ziekte- en pensioenverzekering gaat. Een wet van 1948 komt gedeeltelijk tegemoet aan de eisen die de prostituees naar voor brachten. Deze wet zorgde ervoor dat prostitutie niet langer strafbaar was, maar de organisatie, de exploitatie en de zichtbare uitingen ervan, zoals bijvoorbeeld tippelen, bleven verboden. Zolang prostitutie de openbare orde of de goede zeden niet verstoort mag ze vrij beoefend worden. Hoewel de wet de exploitatie en het pooierschap verbiedt, heffen tal van Belgische steden taksen op rendez-vous-huizen en cabaretdanseressen. Die belastingen brengen heel wat geld in het laatje: in Sint-Joost 4,7 miljoen en in Brussel-stad zo'n 4,6 miljoen per jaar. Deze ambigue houding tegenover prostitutie impliceert in sommige gevallen de legitimatie van illegale praktijken.

De omvang van zulke illegale prostitutiepraktijken kwam in België tussen 1992 en 1994 aan het licht door het boek van Chris De Stoop, Ze zijn zo lief, meneer. Dit boek bevat zeer gedetailleerde beschrijvingen van hedendaagse vrouwenhandel en gedwongen prostitutie. De onthullingen van De Stoop vormden de rechtstreekse aanleiding voor het oprichten van een parlementaire onderzoekscommissie die belast werd met de voorbereiding van een structureel beleid tegen de internationale vrouwenhandel. De werkzaamheden van de commissie leidden op 7 april 1995 uiteindelijk tot de goedkeuring van een specifieke strafwet tegen de georganiseerde vrouwenhandel.

Er waren verschillende kanalen waarlangs de vrouwenhandelaars in België konden werken. Vooreerst waren er in de jaren tachtig en negentig een aantal grote ‘impresario's’ in België die via het soepele ‘artiestensysteem’ meisjes konden binnensluizen voor de seksindustrie. Sinds de migratiestop in 1974 was het verkrijgen van een arbeidskaart als karakterdanseres de enige manier om toch over een tijdelijke werkvergunning te kunnen beschikken. Overheid en politie brachten jarenlang het nodige papierwerk in orde hoewel ze vaak heel goed wisten dat de ‘karakterdanseressen’ in de seksbusiness terechtkwamen en dat de zogenaamde ‘impresario's’ regelrechte pooiers waren. Als tweede kanaal gebruikten de vrouwenhandelaars de aanvraag als asielzoeker om vrouwen op een legale manier het land binnen te brengen. Een derde kanaal van vrouwenhandel in België was de invoer van zogenaamde postorder-bruiden. In de jaren tachtig verschenen meisjes uit derde wereld landen massaal in de catalogi van dubieuze huwelijksagentschappen. In die advertenties werden vrouwen aangeprezen als onderdanig, trouw en hard werkend. Heel af en toe kwam er ook wel een geslaagde relatie uit voort, maar problemen van mishandeling, uitbuiting en gedwongen prostitutie waren veel frequenter. Nog een ander kanaal van vrouwenhandel, waren de ronselbureaus voor goedkope dienstmeisjes voor ambassades en internationale organisaties in en rond Brussel. Het diplomatieke huispersoneel heeft geen verblijfsvergunning nodig en via de diplomatieke kaart werden duizenden dienstmeisjes uit de Filippijnen ingevoerd, die vaak schandelijk werden uitgebuit. De overheid nam een aantal maatregelen om de systemen van de hedendaagse mensenhandel op te doeken. Dit lukte het best bij de cabarets. In september 1992 besliste de Vlaamse regering om voortaan alle aanvragen voor arbeidskaarten voor karakterdanseressen te weigeren. In hetzelfde jaar kreeg ook het Antwerpse opvangcentrum voor prostituees Payoke erkenning en subsidiëring. Toch is het na het opdoeken van de parlementaire onderzoekscommissie weer stil geworden rond de vrouwenhandel in België.

De huidige prostitutie in Brussel neemt alle mogelijke vormen aan. Straatprostitutie wordt doorgaans beschouwd als ‘laagste’ vorm aangezien de vrouwen werken aan lage prijzen en in twijfelachtige hygiënische omstandigheden. Vaak gaat het om drugsverslaafde vrouwen die via het tippelen hun verslaving onderhouden. Typische tippelbuurten in Brussel zijn de omgeving van het Noord- en Zuidstation. Vooral in de Emile Jacqmainlaan aan het Noordstation komen na elf uur 's avonds heel veel meisjes tippelen. Raamprostitutie doet zich vooral voor in de Noordwijk, in Sint-Joost-ten-Node en in Schaarbeek. Naast deze meer publieke vormen van prostitutie bestaat er ook nog privé-prostitutie, waarbij vrouwen in een advertentie hun diensten aanbieden en de klanten thuis, in studio's of hotels ontvangen. Een andere vorm van meer gesloten prostitutie zijn de escortservices, die met hun diensten vooral de betere verdieners onder het prostitutiecliënteel aanspreken.

Het is duidelijk dat de huidige maatschappij anders staat tegenover prostitutie dan die van de voorgaande eeuwen. Toch is de acceptatie nog niet volledig en zijn er nog steeds verenigingen nodig die moeten opkomen voor de rechten van de prostituees. Die hulpverlening is niet uitsluitend meer gericht op bekering en redding zoals in de 18 de en 19 de eeuw, maar ook op praktische hulp, steun en aanvaarding. Het Mouvement du Nid, gevestigd in de Waterkrachtstraat nr. 14, is lid van de internationale abolitionistische beweging en wil het prostitutiefenomeen uit de wereld bannen door de socio-economische oorzaken ervan te bestrijden. De beweging is enerzijds gericht op preventie en anderzijds op reïntegratie van vrouwen die uit de prostitutie willen stappen. Organisaties zoals Espace P en Payoke zijn dan weer gericht op de erkenning van prostitutie als maatschappelijk gegeven en ijveren voor de aanvaarding van het statuut van de vrijwillige prostituee.

Bibliografie:
ADLER L., La vie quotidienne dans les maisons closes, 1830-1930, Parijs, 1990.
ALTINK S., Huizen van illusie, Bordelen en prostitutie van Middeleeuwen tot heden, Antwerpen, 1983.
ARIS M., Ecrits d' hier. Débauche nocturne au 19 e siècle. Texte de Mario Aris, in Les cahiers de la fonderie, revue d'histoire sociale et industrielle de la region Bruxelloise, nr. 21, december, 1996, p. 14-17.
ARON J.P., Misérable et glorieuse. La femme au XIXe siècle, Parijs, 1980.
CORBIN A., Les Filles de noce: Misère et prostitution (19 e et 20 e siècles), Parijs, 1978.
DE SCHAEPDRIJVER S., De zonde in banen geleid: gereglementeerde prostitutie in Brussel, 1844-1877, [onuitgegeven licentiaatsverhandeling, VUB], Brussel, 1982
DE SCHAEPDRIJVER S., Reglementering van prostitutie, 1844-1877, opkomst en ondergang van een experiment, in Revue belge d'histoire contemporaine, XVI, 1985, p. 473-506.
DE STOOP, Chris, DUPONT_BOUCHAT, Marie-Sylvie, HEEREN, Nanouche, e.a., Van Badhuis tot Eroscentrum. Prostitutie en vrouwenhandel van de Middeleeuwen tot heden, Brussel, 1995.
HUBERTY C., KEUNINGS L., La prostitution à Bruxelles au dix-neuvième siècle, in Les cahiers de la fonderie, revue d'histoire sociale et industrielle de la region Bruxelloise, nr. 2, april, 1987, p. 3-21.
VAN HAECHT A., La prostituée. Statut et image, Brussel, 1973.
VANHEMELRIJCK F., De criminaliteit in de ammanie van Brussel van de late Middeleeuwen tot het einde van het Ancien Regime (1404-1789), in Verhandelingen van de koninklijke academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten. Klasse der letteren, 43/97, Brussel, 1981.
VANHEMELRIJCK F., De beul van Brussel en zijn werk, in Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, 19, [1964-65].
VAN MENS L., Prostitutie in bedrijf. Organisatie, Management en Arbeidsverhoudingen in Seksclubs en Privéhuizen, Rotterdam, 1992.
Verschillende auteurs, Nachtraven. Het uitgaansleven in Brussel van 1830 tot 1940, Brussel, 1987.

Nog meer weten over de vrouwen van lichte zeden?
Neem een duik in de rijke collectie van RoSa en doorzoek onze databank.

 

 

Site Map | ©2007 RoSa Documentatiecentrum | Meer info of vragen? Contacteer ons

Cityt(r)ips Brussel kwam tot stand met steun van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Gelijke Kansen Vlaanderen